Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Duinpieper
Duinpieper | Anthus campestris
Tawny pipit | Bisbita campestre
De duinpieper is de pieper die niet op een pieper lijkt: groot en bleek zandkleurig, met lange bleke poten, een schone ongestreepte borst en een kwikstaartachtige, horizontale gang over kale grond. Als Nederlandse broedvogel is hij verdwenen — het laatste open stuifzand op de Veluwe raakte rond de eeuwwisseling leeg — maar van Spanje tot Turkije en door de hele Maghreb is hij een gewone vogel van droge, stenige vlaktes.
Geluid
De roep is hard en musachtig: een kort, scherp tsjilp of tsjep, vaak in de vlucht en meestal een- of tweelettergrepig, en daarnaast een langgerekt, wat klagend tsjuu-ie dat aan een gele kwikstaart doet denken maar voller en ruwer klinkt. Die musachtige, korte roep is het beste kenmerk van een overvliegende vogel; hij mist de rasperige hardheid van de grote pieper en het dunne, hoge van graspieper. De zang is uiterst eenvoudig en juist daardoor herkenbaar: één en dezelfde tweelettergrepige zin, zrieh-lieh … zrieh-lieh … zrieh-lieh, langzaam en met lange pauzes herhaald, gebracht in een golvende zangvlucht waarbij de vogel bij elke strofe even opstijgt en weer zakt, of vanaf een steen of een kluit. Zingt van april tot in juni, vooral in de vroege ochtend en bij het laatste licht.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot voor een pieper, zestien tot achttien centimeter, en opvallend bleek: bovenop egaal zandbruin met hoogstens een vage tekening, van onderen roomwit tot licht okerkleurig en — dit is het hoofdkenmerk — met een volstrekt schone, ongestreepte borst. Op het gezicht een lange, bleke wenkbrauwstreep en daaronder een donkere teugelstreep die van de snavel tot het oog loopt; dat streepje geeft de vogel zijn strenge blik. De poten zijn lang, bleek vleeskleurig en zetten hem hoog boven de grond; de achternagel is kort en gebogen, geen lange spoor. De staart is lang, met vuilwitte buitenste staartpennen. Op de gevouwen vleugel staat één rij middelste vleugeldekveren met zwarte kernen en smalle bleke zomen, samen een duidelijke donkere streep dwars over de vleugel: het beste kenmerk op afstand. Hij loopt en draaft met horizontale houding en wipt daarbij met de staart, meer kwikstaart dan pieper. Let op de jonge vogels van juli tot september: die zijn wél gestreept op borst en rug en dan valt het hele bleke, schone beeld weg — kijk dan naar de lengte, de lange poten, de donkere vleugeldekstreep en de gang.
Verwarringssoorten
De kortteenleeuwerik is bij ons de valstrik op kwelder en duin: even bleek en even schoon van borst, maar korter, kortstaartiger, met een dikke kegelsnavel, korte poten en een donker vlekje op de halszijde, en hij huppelt en drukt zich in plaats van te draven. De grote pieper is groter en zwaarder, heeft een gestreepte borst, een veel zwaardere snavel en een zeer lange achternagel, en zijn roep verraadt hem meteen. De langsnavelpieper van de Levant is even groot en even egaal, maar zwaarder van snavel, warmer beige van onderen en met vuilbeige in plaats van witte buitenste staartpennen, en hij zit op stenige berghellingen in plaats van op vlak zand. Graspieper en boompieper zijn kleiner, korter van poot en altijd duidelijk gestreept op de borst; de verwarring loopt alleen andersom, via een jonge duinpieper. Bij een jonge vogel is de dwarsstreep van donkere vleugeldekveren vaak het enige wat overblijft.
Leefgebied
Vlak, warm, kaal en droog terrein met veel open grond en maar weinig, lage begroeiing: stuifzand en zandverstuivingen, geplagde heide, droge duinvalleien, stenige steppe en hoogvlaktes, wijngaarden en braakland, afgebrande hellingen, grindvlaktes langs droge rivierbeddingen, zandafgravingen en zelfs vliegvelden. De grond moet warm zijn en met kale plekken; zodra gras en struiken dichtgroeien verdwijnt hij. Het nest is een kuiltje in de grond, aangebouwd tegen een pol, een steen of een greppelrand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Iberië, Noordwest-Afrika en de Canarische Eilanden door heel Zuid- en Midden-Europa, de Balkan en Turkije tot ver in Centraal-Azië; alle vogels overwinteren in de Sahel en de savannes van Afrika. In het kaartgebied is hij een wijdverbreide broedvogel — met de zwaartepunten in Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië, de Balkan, Turkije en de Maghreb — en tegelijk een zeldzaamheid geworden aan de noordrand. In Nederland broedde hij tot in de jaren negentig op de Veluwe, in Drenthe en op de Noord-Brabantse zandgronden; het bestand liep van enkele honderden paren rond 1970 terug tot nul, en sinds het begin van deze eeuw is hij als broedvogel verdwenen. Wat er nu jaarlijks langskomt zijn doortrekkers, vooral in augustus en september langs de kust, en een enkele overvliegende vogel in mei.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni naar een Spaanse of Turkse hoogvlakte, zet de auto langs een zandweg en wacht: de zangvlucht met zijn trage, tweelettergrepige strofe hangt boven het terrein voordat je de vogel vindt, en daarna zie je hem draven van kluit naar kluit. Wie hem in eigen land wil zien, moet in de laatste week van augustus en de eerste helft van september op de Waddeneilanden of in de Zeeuwse en Hollandse duinen op kaal, kortbegraasd terrein zoeken. Let dan niet op de kleur maar op drie dingen: de schone borst, de donkere dwarsstreep op de vleugel en de kwikstaartachtige, hoogbenige gang.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een enorm areaal en een bestand in de miljoenen, maar in Noordwest-Europa is de soort van de kaart verdwenen. Nederland, België, Denemarken en grote delen van Duitsland en Polen hebben hun laatste paren verloren; in Nederland staat hij als verdwenen op de Rode Lijst. De oorzaken zijn dezelfde overal: stuifzand en open heide zijn dichtgegroeid door stikstofdepositie, kale grond is ingeplant of ingezaaid, en het insectenaanbod op arme zandgrond is ingestort. Ook in Zuid-Europa gaan de aantallen omlaag, waar droge weidegrond en braakland worden omgezet in geïrrigeerde teelt of dichtgroeien na het wegvallen van de schapenbegrazing. In Turkije en de Maghreb, waar het merendeel van het Europese bestand zit, is de soort nog wijdverbreid en talrijk.
Wetenschappelijke naam
Anthus campestris (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda campestris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. campestris is Latijn voor 'van de velden', van campus 'veld, vlakte'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



