Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Berthelots pieper
Berthelots pieper | Anthus berthelotii
Berthelot's pipit | Bisbita caminero
De pieper van Madeira en de Canarische Eilanden, en verder nergens ter wereld. Op die eilanden is hij overal: op het lavagruis van Lanzarote, op de bermen van bergwegen, tussen de bananenterrassen, op de parkeerplaats bij de kraterrand van de Teide op drieduizend meter. Hij is bovendien buitengewoon tam en draaft voor je uit over het pad — vandaar zijn Spaanse naam caminero, de wegloper.
Geluid
De roep is een kort, droog en wat schetterend tsjiep of tsjirr, hard en niet bijzonder muzikaal, vaak herhaald terwijl de vogel voor je uit over het pad draaft. Bij onrust wordt het een snelle, ratelende reeks. De zang is eenvoudig en zeer monotoon: een korte strofe van drie tot zes gelijke, ijle noten, tsjie-tsjie-tsjie-tsjie, iets versnellend en aan het eind wegvallend, keer op keer herhaald vanaf een steen, een muurtje, een telefoondraad of een lage struik, en soms in een korte zangvlucht waarbij de vogel opklimt en met stijve vleugels weer naar beneden zweeft. Op de eilanden hoor je die zang van januari tot in juni het hele terrein vullen; het is het geluid van een droge lavahelling in het voorjaar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, grijsbruine pieper van dertien tot veertien en een halve centimeter, kortstaartig en met een fijne, spitse snavel. Het gezicht is het duidelijkste van alles: een lange, brede, roomwitte wenkbrauwstreep die van de snavel tot ver achter het oog loopt, met daaronder een donkere oogstreep en een donker oorveld, wat een streng, scherp getekend koppatroon geeft. De bovenzijde is grijzig zandbruin met vage, diffuse strepen — nergens de scherpe zwarte strepen van de noordelijke piepers. De onderzijde is roomwit met een beige waas op de borst en een rij fijne donkere streepjes over de borst, die naar de flanken toe snel verdwijnt; aan weerszijden van de keel loopt een korte, donkere baardstreep. Op de vleugel staan twee bleke banden. De poten zijn bleek vleeskleurig en verhoudingsgewijs lang, de buitenste staartpennen vuilwit. Hij loopt en draaft over kale grond met een horizontale houding en wipt daarbij kort met de staart. De vogels van Madeira, de ondersoort madeirensis, zijn iets donkerder en warmer bruin en wat duidelijker gestreept dan die van de Canarische Eilanden.
Verwarringssoorten
Op Madeira en de Canarische Eilanden is er in de praktijk niets waarmee hij te verwarren is: hij is er de enige pieper die het hele jaar aanwezig is. In de winter komen er wel graspiepers over, en die zijn olijfbruiner, langer van staart, met scherpe zwarte strepen op borst én flanken, een minder opvallende wenkbrauw en een dun, hoog roepje; ze zitten bovendien in vochtiger, groener terrein. Een enkele duinpieper op doortrek is groter, veel bleker, langpotiger en heeft een volstrekt schone borst en een donkere dwarsstreep over de vleugeldekveren. De Canarische roodborsttapuit van Fuerteventura loopt in hetzelfde stenige terrein maar heeft een korte staart met wit aan de basis, een rechte houding op een steen en een oranje borst. Wie op het vasteland een kleine, grijzige pieper met een felle wenkbrauwstreep meent te zien, moet eerst alle gewone soorten uitsluiten: buiten de eilanden is Berthelots pieper zo goed als niet vastgesteld.
Leefgebied
Open, droog, stenig en schaars begroeid terrein op alle hoogtes, van de kust tot boven de boomgrens. In de praktijk: lavavelden en malpaís, kale vulkanische hellingen, halfwoestijn met verspreide struikjes, kustduinen en zandvlaktes, bermen en parkeerplaatsen langs bergwegen, braakliggende terrassen en verlaten akkers, geitenweiden en golfterreinen, en op Tenerife tot in het gruis van de Cañadas op drieduizend meter. Hij ontbreekt vrijwel alleen in het gesloten laurierbos en in dichte aanplant. Het nest is een kommetje op de grond, verscholen onder een pol, een steenrand of een struikje.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Komt uitsluitend voor op Madeira met Porto Santo en de Desertas, en op alle zeven Canarische Eilanden; op de Azoren en op het Afrikaanse vasteland ontbreekt hij. Binnen dat kleine gebied is hij een van de talrijkste landvogels: op de droge, oostelijke eilanden Lanzarote en Fuerteventura is hij op vrijwel elke vierkante kilometer aanwezig, en ook op Tenerife, Gran Canaria en La Palma is hij algemeen van zeeniveau tot de hoogste toppen. De vogels blijven het hele jaar op hun eiland; er is geen trek, alleen wat verschuiving in hoogte na het broedseizoen. Het bestand wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Je hoeft er niets voor te doen. Stap op Lanzarote of Fuerteventura ergens langs de weg uit de auto en binnen een minuut draaft er een voor je uit over het gruis, vaak tot op twee meter. Wie het mooiste beeld wil, gaat in maart of april vroeg naar een lavaveld of een oude terrasakker: dan zit hij te zingen op een muurtje of een agave en zie je de brede witte wenkbrauw en de fijne borststreepjes zonder verrekijker. Op Tenerife is het aardigst hem hoog op te zoeken, tussen de rotsen van de Cañadas del Teide, waar hij naast de parkeerplaats loopt terwijl de rest van de vogelwereld ontbreekt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is algemeen en wijd verbreid over het hele — kleine — gebied waar zij voorkomt, en het bestand lijkt stabiel. Dat betekent niet dat er geen risico is: een vogel die uitsluitend op twee archipels leeft, is per definitie kwetsbaar voor wat daar gebeurt, en de sterke bouwgroei langs de kusten van de Canarische Eilanden, de uitbreiding van geïrrigeerde teelt en de druk van verwilderde katten en ratten op grondbroeders zijn reële zorgen. Voorlopig komt hij daar goed doorheen, mede doordat hij zich thuis voelt in bermen, braakland en ander door mensen gemaakt kaal terrein.
Wetenschappelijke naam
Anthus berthelotii Bolle, 1862
Bolle beschreef de soort in 1862 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. berthelotii eert de Franse natuuronderzoeker Sabin Berthelot (1794–1880), die lange tijd op de Canarische Eilanden woonde en werkte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Canarische Eilanden.




