Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Langsnavelpieper
Langsnavelpieper | Anthus similis
Long-billed pipit | Bisbita piquilarga
De pieper van de droge, stenige berghellingen van Israël, Jordanië, Libanon en Zuidoost-Turkije: groot, egaal en onopvallend, zolang hij zwijgt. Zodra hij zingt is hij niet meer te missen, want geen andere pieper van het gebied zingt zo traag en zo weinig. In het kaartgebied bereikt hij hier zijn westgrens; verder oost loopt zijn areaal door tot in India en Zuidoost-Azië.
Geluid
Het geluid is bij deze soort het gemakkelijkste kenmerk, niet het moeilijkste. De zang bestaat uit korte, heldere, wat weemoedige fluittonen die één voor één en met lange stiltes ertussen worden neergezet: tsjuu-wieh … tsjuu-wieh … sieh-wuu, traag, zonder enige haast en met steeds wisselende volgorde. Dat trage tempo is uniek onder de piepers, die verder allemaal ratelen of jubelen; het klinkt eerder als een tapuit of een verre steenmus. Hij zingt vanaf een rots, een muurtje of een struiktop, en in een korte, fladderende zangvlucht waarin hij met stijve, langzame vleugelslagen opklimt en weer neerzweeft. De roep is een kort, wat vlak en nasaal tsjup of tsjilp, doffer en zachter dan het musachtige tsjilp van de duinpieper, en daarnaast een langgerekt tsjuu-ie. Zang van maart tot in juni, vooral in het eerste uur na zonsopgang.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een grote, langgerekte pieper van zestien tot achttien centimeter, egaal en warm zandbruin van boven met hoogstens vage strepen, en van onderen okerbeige, het lichtst op de buik. De borst draagt niet meer dan een vaag waas van fijne streepjes; werkelijke streping ontbreekt, en dat is samen met de kleur het eerste wat opvalt. De snavel is lang en betrekkelijk zwaar, met een rechte bovenrand — de naam is niet toevallig. Het gezicht is opvallend blanco: een vage, bleke wenkbrauwstreep, een lichte oogring en verder weinig tekening, waardoor de vogel er zachtaardig en uitdrukkingsloos uitziet in vergelijking met de streng getekende duinpieper. De staart is lang, en de buitenste staartpennen zijn níét wit maar vuilbeige, wat in vlucht het beste onderscheid met de duinpieper oplevert. De poten zijn lang en bleek, de achternagel is matig lang en gebogen. In vlucht oogt hij groot, zwaar en traag golvend, met langzamere vleugelslagen dan andere piepers. De vogels van de Levant behoren tot de bleke ondersoort captus; oostelijker en zuidelijker worden de vormen donkerder en roder.
Verwarringssoorten
De duinpieper is de enige die er in dit gebied echt op lijkt, en hij komt op dezelfde hellingen voor. Hij is slanker en bleker, grijzer van tint, heeft een kortere en lichtere snavel, een strenger koppatroon met een duidelijke donkere teugelstreep, een donkere dwarsstreep van vleugeldekveren en — het beste kenmerk — zuiver witte buitenste staartpennen tegenover de vuilbeige van de langsnavelpieper. Hij is bovendien vlugger en beweeglijker en houdt van vlak terrein, terwijl de langsnavelpieper bij voorkeur op hellingen met stenen en losse struiken zit. De waterpieper broedt in dezelfde bergen maar op vochtige, grazige plekken bij bronnen en beken, en heeft een grijze kop met een witte wenkbrauw en witte buitenste staartpennen. De grote pieper is in de Levant een schaarse wintergast: die is zwaarder gestreept op de borst, heeft een veel langere achternagel en roept heel anders. Zwijgt de vogel en zie je de staart niet, dan blijft de zwaarte van de snavel en de warme, egale beige onderzijde over.
Leefgebied
Droge, stenige berghellingen met kort gras, kruiden en losse struiken en rotsblokken: kalkhellingen en basalthellingen, wadiranden, verlaten terrassen, garrigue met veel open grond ertussen en de bovenrand van kloven. Hij vraagt een combinatie die niet vanzelfsprekend is: hellend terrein, stenen om vanaf te zingen, en genoeg gras en kruiden op de bodem om in te foerageren. Volledig kaal woestijnterrein en dichtgegroeide maquis zijn allebei te veel van het goede. Het nest ligt op de grond, verscholen onder een pol of tegen een steen aan de helling.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het areaal van de soort loopt van West-Afrika via de Levant en Iran tot in India en Zuidoost-Azië, verdeeld over een reeks sterk verschillende vormen. Binnen het kaartgebied gaat het uitsluitend om de bleke ondersoort captus van de Levant: Israël, waar hij op de hellingen van de Golan, Galilea, de Judeese bergen en het bergland van de Negev broedt, verder Libanon, het westen van Jordanië, west- en noordwest-Syrië en het uiterste zuidoosten van Turkije, ongeveer tot aan de rand van dit kaartvenster. Hij is er standvogel; alleen de hoogste broedplaatsen worden in de winter verlaten, waarbij de vogels naar lagere hellingen en wadi's zakken.
- Jaarrond
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in maart of april bij zonsopgang naar een stenige helling boven een wadi in de Golan, in de Judeese bergen of in het bergland van de Negev, en ga zitten. Zoek niet, maar luister: de trage, ver dragende fluittonen komen met lange tussenpozen en zijn tussen alle andere vogelgeluiden meteen te herkennen. Volg dan het geluid naar een rotsblok of een lage struik, waar de vogel rechtop staat te zingen. Krijg je hem op de grond, wacht dan tot hij opvliegt en let alleen op de staartranden: vuilbeige, niet wit — daarmee is hij van de duinpieper gescheiden, ook als je verder niets goed hebt gezien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het wereldareaal is enorm en de soort is over dat hele gebied wijd verbreid. In de Levant is captus een gewone en goed verspreide broedvogel van de bergen, met in Israël enkele duizenden paren en een tamelijk stabiel beeld. De druk zit in de details: het verdwijnen van extensieve beweiding, waardoor hellingen dichtgroeien, aanplant van naaldbos op open kalkhellingen, en de uitbreiding van bebouwing en steengroeven rond de bergsteden. Waar de traditionele geiten- en schapenbegrazing doorgaat, blijft de vogel gewoon zitten.
Wetenschappelijke naam
Anthus similis (Jerdon, 1840)
Jerdon beschreef de soort in 1840 als Agrodoma similis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. similis is Latijn voor 'gelijkend'; op welke andere pieper de vogel zou lijken, wordt in de beschrijving niet gezegd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jalna in India.



