Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Grote pieper
Grote pieper | Anthus richardi
Richard's pipit | Bisbita de Richard
De grootste pieper van het gebied, en een vogel uit Siberië: hij broedt van de Altaj tot Mongolië en China en hoort in India te overwinteren, maar elk najaar duikt een deel van de jonge vogels in Noordwest-Europa op. Wie hem één keer heeft horen roepen, herkent hem daarna altijd — die harde, rasperige schreeuw is het belangrijkste kenmerk dat de soort heeft.
Geluid
Bij deze soort is het geluid geen bijzaak maar het kenmerk. De roep is een luide, harde, rasperige schreeuw: sjrieep of psjieuw, explosief, met een schurende r erin, en zo ver dragend dat je hem eerder hoort dan ziet — de meeste waarnemingen in Nederland zijn roepende vogels die hoog overkomen. Het geluid doet sterk aan een huismus denken, maar is langer aangehouden, ruwer en nadrukkelijker. Bij onrust roept hij herhaald en snel achtereen vanaf de grond. Het onderscheid met de Mongoolse pieper zit hier: die roept zachter, korter en minder rasperig, met een nasaal psjeu dat wegzakt in plaats van te schuren, en laat er vaak een kort, droog tsjep op volgen. Overlap bestaat, en wie twijfelt doet er goed aan een opname te maken. De zang, een eenvoudige herhaalde strofe in een hoge zangvlucht, is in ons gebied nooit te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en fors, zeventien tot twintig centimeter, met het formaat en de indruk van een kwikstaart: lange staart, lange poten en een rechtopstaande, gestrekte houding waarin hij de hals uitsteekt om over het gras te kijken. De snavel is zwaar en lang, bijna lijsterachtig, met een gele basis. De bovenzijde is warm bruin met stevige donkere strepen, de borst is roomkleurig met een band van korte, forse strepen; de flanken zijn juist ongestreept en okerkleurig — streping op de borst, niet op de flanken, is bij deze groep een goed onderscheid. Aan weerszijden van de keel loopt een brede zwarte baardstreep die naar beneden toe in een donkere vlek eindigt. De buitenste staartpennen zijn wit tot vuilwit. Het kenmerk waar de literatuur op steunt is de achternagel: die is bij deze soort zeer lang, tot een centimeter, licht gebogen en langer dan de achterteen zelf — met een telescoop op een lopende vogel is dat te zien. In de vlucht oogt hij zwaar en golvend, hangt hij soms even biddend stil boven het gras en laat hij vrijwel altijd zijn roep horen.
Verwarringssoorten
De Mongoolse pieper is het echte probleem en staat verderop in dit boek: kleiner, compacter, korter van snavel en met een duidelijk kortere achternagel, maar die verschillen zijn in het veld gradueel. Het bruikbaarste beeld zit op de middelste vleugeldekveren: bij de grote pieper heeft elke veer een donkere kern die spits naar de punt toe uitloopt en waarvan de bleke zoom vaag begrensd is, bij de Mongoolse pieper is de donkere kern recht afgesneden en steekt de brede, scherp afgezette lichte punt er als een blokje boven uit. Dat vraagt om verse veren en een goede foto. De roep is uiteindelijk beslissend. De duinpieper is even lang maar slanker, veel bleker, heeft een schone ongestreepte borst, een lichtere snavel, een korte achternagel en een donkere dwarsstreep over de vleugeldekveren. Graspieper en boompieper zijn beduidend kleiner, korter van poot en snavel, en hebben gestreepte flanken. Een jonge duinpieper met streepjes op de borst is de klassieke aanleiding tot een verkeerde melding; kijk dan naar de zwaarte van de snavel en naar de baardstreep.
Leefgebied
Op doortrek en in de winter zoekt hij ruig, hoog gras met open plekken erin: verruigde graslanden en kwelderranden, akkerranden en braakliggende percelen, natte weilanden en greppelkanten, drooggevallen slikvelden, vliegvelden, ruderaal terrein achter de duinen en de zomen van rietvelden. Hij mijdt zowel kort gemaaid gazon als gesloten dichte vegetatie; het gaat hem om gras waarin hij kan verdwijnen en waaruit hij zijn hals kan strekken. In het broedgebied, ver buiten deze kaart, zijn het open steppe en vochtige riviervlaktes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Zuid-Siberië, Mongolië en Noord- en Midden-China en overwintert in India en Zuidoost-Azië. In het kaartgebied is hij een doortrekker in een vaste, smalle periode: van half september tot in november, met de piek in de tweede helft van oktober, vooral langs de kusten van de Noordzee en de Britse Eilanden en op de eilanden. In Nederland gaat het om enkele tientallen vogels per najaar, in België en Groot-Brittannië om vergelijkbare of grotere aantallen. Sinds de jaren zestig overwintert bovendien een klein maar groeiend aantal in Zuid-Frankrijk, Noordoost-Spanje en Italië, in rijstvelden en vochtige graslanden, waar de soort van november tot maart blijft hangen.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Oktober op een Waddeneiland of een kwelderkust, met de wind uit het oosten. Loop de ruige graslanden en akkerranden af en luister vooral omhoog: negen van de tien grote piepers worden op de roep ontdekt. Vliegt er een op, dan zie je een grote, langstaartige vogel die zwaar en golvend wegvliegt en na een eind weer in het gras zakt. Loop er niet achteraan maar wacht: hij komt vanzelf op een kale plek staan, en dan zie je in één beeld de rechte houding, de zware snavel en — met wat geluk en een telescoop — de lange achternagel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC): het broedareaal in Azië is enorm en het bestand groot en stabiel. Voor Europa is de soort niet meer dan een jaarlijkse gast, en de aantallen die hier opduiken zeggen dan ook weinig over hoe het de soort werkelijk vergaat. Wat wél opvalt is de trend in het najaar: het aantal Britse en Nederlandse waarnemingen nam vanaf de jaren zestig sterk toe, piekte in de jaren tachtig en negentig en loopt sindsdien weer terug, terwijl het aantal overwinteraars in het Middellandse Zeegebied juist stijgt. Betere waarnemers, betere geluidsherkenning en veranderende trekwegen spelen daarin allemaal een rol.
Wetenschappelijke naam
Anthus richardi Vieillot, 1818
Vieillot beschreef de soort in 1818 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. richardi eert de Franse natuuronderzoeker Charles Richard (1745–1835), directeur van de posterijen te Lunéville en vriend van François Levaillant. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.



