Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Boompieper
Boompieper | Anthus trivialis
Tree pipit | Bisbita arbóreo
De boompieper is de pieper met een boom, en dat is meteen zijn hele verhaal. Hij broedt op de grond, net als de graspieper, maar hij zingt vanaf een top: een berk aan de heiderand, een dennenkruin boven een kapvlakte, een paal langs een bosweg. Vandaar klimt hij schuin omhoog, houdt in, en laat zich met stijve vleugels weer op diezelfde top zakken terwijl hij het traagste en mooiste slot van de hele familie zingt: sie-a … sie-a … sie-a. Wie in mei op de Veluwe of in Drenthe over een heideveld met verspreide bomen loopt, hoort hem overal, en ziet daarna waarom de zangvlucht zijn handtekening is.
Geluid
De zang is een van de opvallendste van het bos, en men herkent hem aan het slot. Het begin is luid, helder en kanarieachtig: een reeks krachtige, versnellende tsiet-tsiet-tsiet-noten en rollende triller-groepjes, hard genoeg om over een heel heideveld te dragen. Daarop volgt het kenmerk: een reeks van vijf tot tien trage, langgerekte, dalende tonen — sie-a … sie-a … sie-a … sie-a — die de vogel uitspreekt terwijl hij zich met opgeheven vleugels en gespreide staart als een parachute uit de lucht op een boomtop laat zakken. Die combinatie van een luide, snelle inleiding en een uitgesponnen, vertragend slot heeft geen enkele andere vogel van het gebied. De zangvlucht begint bijna altijd vanaf een tak en eindigt op een tak; wordt hij vanaf de grond gezongen, dan is het meestal een graspieper. De roep is één enkele, schorre, gonzende noot: bzièt, met een duidelijk rasperig, bijna elektrisch timbre, meestal bij het opvliegen en op trek van overvliegende vogels. In augustus en september is dat het geluid waaraan je een trekkende boompieper hoog boven de kust herkent, vaak zonder de vogel ooit te zien.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter en steviger dan de graspieper, vijftien tot zestien centimeter, en warmer van kleur: olijfbeige tot geelbruin op de rug, met vagere strepen dan bij de graspieper, en van onderen roomgeel op de borst, overgaand in wit op de buik. Het beslissende kenmerk zit in het patroon van de streping: op de borst staan zware, brede zwarte strepen, maar op de flanken worden ze opeens veel fijner en dunner, zodat de vogel er van opzij uitziet alsof het onderlichaam in tweeën valt — dik gestreept van boven, fijn gestreept aan de zijkant. De snavel is duidelijk zwaarder dan die van de graspieper, met een roze basis. De poten zijn bleek vleeskleurig, en de achternagel is kort en gebogen, korter dan de achterteen; dat is het omgekeerde van de graspieper en het is het enige structuurkenmerk dat op een foto altijd werkt. Het gezicht heeft meer tekening: een lichte wenkbrauwstreep die achter het oog breder wordt, een donkere oogstreep, en een lichte vlek achter het oorveld met daar vlak onder een klein donker vlekje. Op de vleugel staan twee rijen dekveren met donkere kernen en brede beige punten, samen een duidelijke dubbele band. Hij loopt bedaard en horizontaal, wipt zacht met de staart, en gaat — anders dan de graspieper — bij verstoring vrijwel altijd in een boom zitten.
Verwarringssoorten
Alles draait om de graspieper, en het kortste antwoord is: luister. De boompieper roept één keer, hard en schor, een gonzend bzièt of spzz met een rasperig randje; de graspieper roept dun, hoog en herhaald, twee tot vier keer stotterend achter elkaar. Ziet u de vogel, kijk dan naar de flanken (fijn gestreept tegenover zwaar gestreept), naar de snavel (zwaarder), naar de achternagel (kort en gebogen) en naar de plek waar hij landt (een tak). De borst is bovendien warmer geel dan bij de graspieper, die daar killer en witter is. De Siberische boompieper, die elk najaar in kleine aantallen langs de Noordzeekust opduikt, is de tweede kandidaat en staat hierna beschreven; het verschil zit in de olijfgroene, bijna ongestreepte rug en de scherp getekende vlek achter het oorveld. De roodkeelpieper heeft een gestreepte stuit en zwaardere, zwartere flankstrepen. Waterpieper en oeverpieper zijn groter, killer en donkerpotig. En de duinpieper is duidelijk groter, bleker en langpotiger en heeft een schone, ongestreepte borst — behalve als jonge vogel, en dan is de lengte van de poot het beste houvast.
Leefgebied
Overgangen tussen bos en open land, en dat is nauwkeuriger dan het klinkt: hij heeft grond nodig om in te nestelen en te foerageren, een kruidenlaag om in te verdwijnen, en losstaande, hoge zangposten. In de praktijk zijn dat heidevelden met verspreide berken en vliegdennen, kapvlaktes en jonge aanplant, brandgangen en bosranden, open naaldbos met veel bosbes, berkenbos in het noorden, hoogstamweides en kalkgraslanden met struweel in het middelgebergte, en bermen langs bosweggetjes. Zodra het bos sluit of de bomen helemaal verdwijnen, verdwijnt hij. Het nest ligt op de grond in een pol of onder een bosbesstruikje, goed verstopt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Ierland en Noord-Spanje tot in Midden-Siberië en van Noord-Scandinavië tot in de bergen van Zuid-Europa, Turkije en de Kaukasus; het is een van de wijdst verspreide zangvogels van het werelddeel. Alle vogels trekken naar Afrika ten zuiden van de Sahara. In Nederland broedt hij vooral op de hogere zandgronden: de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, Drenthe, Twente en de Brabantse en Limburgse heidegebieden, met enkele duizenden paren, en verder in de duinen. Het bestand is sinds de jaren zeventig sterk afgenomen maar houdt zich sinds enkele decennia beter staande waar heide en stuifzand actief open worden gehouden. In Spanje broedt hij in de Pyreneeën, de Cantabrische bergen, het Iberisch Systeem en het Centraal Systeem, en trekt hij in april en van augustus tot oktober in grote aantallen door de rest van het land.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De tweede helft van april en de hele maand mei, op een heideveld met losse berken en dennen: de Veluwe, het Drentse of Brabantse heidelandschap, de Belgische Kempen. Zoek de hoogste kruin in het veld en wacht — de zangvlucht komt vanzelf, en die is spectaculair genoeg om er een half uur voor te blijven staan. Let dan bewust op waar hij landt, want juist dat verschil met de graspieper blijft hangen. Voor de roep is de tweede helft van augustus op een kusttelpost het moment: dan gaan ze hoog en 's ochtends vroeg over, en het enkele, gonzende bzièt tussen de stotterende graspiepers door is precies het contrast dat je nodig hebt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een enorm areaal van Ierland tot Siberië en een bestand in de tientallen miljoenen. In Noordwest-Europa ligt het beeld gemengder. In Nederland staat hij niet op de Rode Lijst, maar het broedbestand liep tussen 1975 en 2000 fors terug door het dichtgroeien en verdwijnen van open bos- en heideranden, en de trend is sindsdien vlak tot licht positief in gebieden waar geplagd en begraasd wordt en waar kapvlaktes en brandgangen open blijven. In Groot-Brittannië is de achteruitgang veel sterker en is de soort vrijwel verdwenen uit het zuidoosten, waarschijnlijk door een combinatie van veranderend bosbeheer en problemen op de trekroute en in het Afrikaanse winterkwartier. In Midden- en Oost-Europa en in Scandinavië is de soort nog algemeen en talrijk.
Wetenschappelijke naam
Anthus trivialis (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda trivialis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. trivialis is Latijn voor 'gewoon, alledaags', van trivium 'openbare straat'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




