Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Siberische boompieper
Siberische boompieper | Anthus hodgsoni
Olive-backed pipit | Bisbita de Hodgson
Een boompieper uit de Siberische taiga, en de mooiste van de kleine piepers: groener, schoner en scherper getekend dan onze eigen boompieper. Hij broedt van de Oeral tot Japan en overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië, maar elk najaar loopt een deel van de jonge vogels de verkeerde kant op en verschijnt er in oktober en november een handvol langs de kusten van de Noordzee, op de Britse eilanden en in Scandinavië. In de laatste dertig jaar zijn dat er geleidelijk meer geworden, en bovendien blijven er tegenwoordig enkele hangen tot in de winter.
Geluid
De roep is dun, hoog en doordringend: een langgerekt tsiez of tiez, ijl en met een licht opgaand einde. Hij lijkt op de roep van de boompieper, maar is hoger, dunner, langer aangehouden en mist het schorre, gonzende, bijna elektrische timbre; waar de boompieper rasperig klinkt, klinkt deze glad en fluitend. Vogels die zich verstopt hebben roepen vaak vanuit de dekking voordat ze opvliegen, en op de eilanden worden veel gevallen op die manier ontdekt. De zang — in ons gebied vrijwel nooit te horen — is een luide, heldere, versnellende strofe die aan die van de boompieper doet denken maar zuiverder en muzikaler klinkt, gebracht vanaf een boomtop of in een korte zangvlucht boven de taiga.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Even groot als een boompieper of iets kleiner, veertien tot vijftien centimeter, maar compacter en veel contrastrijker. De bovenzijde is het eerste wat opvalt: warm olijfgroen en vrijwel ongestreept op mantel en stuit — hooguit een vage schaduw van strepen — waar elke andere kleine pieper van het gebied daar duidelijk gestreept is. Daartegen steken de onderdelen af als wit papier: schoon wit met een gele waas over de bovenborst en met zware, gitzwarte strepen die van de baardstreep tot ver op de flanken doorlopen. Het gezicht is het tweede kenmerk, en op zichzelf al genoeg: een lange, brede wenkbrauwstreep die vóór het oog warm oranjebeige is en achter het oog opeens helderwit wordt, en aan de achterrand van het oorveld een klein, scherp afgetekend zwart vlekje met daar vlak boven of naast een witte of beige stip — het beroemde 'oorvlekje', dat op elke goede foto meteen te zien is. De snavel is fijn met een roze basis, de poten zijn roze, de achternagel is kort en gebogen. Hij loopt kortbenig en gedrongen over de grond, wipt daarbij duidelijk met de staart en gaat bij verstoring, net als de boompieper, in een boom zitten — vaak op een dikke tak, waar hij lang stil blijft.
Verwarringssoorten
De boompieper is de enige echte kandidaat, en het loont om er drie dingen naast te leggen. De rug: bij de boompieper duidelijk gestreept en beige-olijf, bij deze soort vrijwel egaal en groen. Het gezicht: bij de boompieper vaag, bij de Siberische scherp en tweekleurig, met dat zwart-witte vlekje achter het oorveld. En de onderdelen: bij de boompieper geelbeige met fijne flankstrepen, hier schoon wit met zware zwarte flankstrepen die net zo breed zijn als die op de borst. De graspieper is doffer en bruiner en heeft een vlak gezicht en bleke, oranjeroze poten. De roodkeelpieper is de valstrik voor wie alleen op de zware streping let: die heeft echter een gestreepte stuit en brede witte mantelstrepen. Waterpieper en oeverpieper zijn groter en donkerpotig. Wie in oktober op een eiland een pieper in een boom ziet zitten met een groene rug en een wit-oranje wenkbrauw, hoeft niet lang te twijfelen — maar maak een foto van het oorveld, want dat is wat een commissie wil zien.
Leefgebied
In het broedgebied lichte taiga: berken- en lariksbos, open naaldbos met een ondergroei van bosbes en dwergstruiken, bosranden en kapvlaktes, en in het zuiden van het areaal ook berkenbos in de bergen tot boven de tweeduizend meter. Het is een vogel van de bosbodem die in bomen rust en zingt. De dwaalgasten in West-Europa zitten in precies zulke structuur, maar dan in het klein: struweel en boomgroepjes op de eilanden, tuinen en kerkhoven, houtwallen, tamariskbosjes, de luwte achter een duinrand en de bosschages van een vogelaarsdorp. Ze foerageren op de kale grond eronder en vliegen bij verstoring de takken in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van het noordoosten van Europees Rusland — de westgrens ligt bij de Petsjora en de noordelijke Oeral, ruim buiten het gebied van deze gids — oostwaarts door heel Siberië tot Kamtsjatka, Japan en de Himalaya, en overwintert van Pakistan en India tot Zuidoost-Azië. Binnen het kaartgebied is hij een vaste najaarsverschijning in kleine aantallen: het zwaartepunt ligt op Shetland, Fair Isle en de Britse oostkust, op de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden en in Zuid-Scandinavië, met het merendeel van de vogels tussen 5 oktober en 15 november. In Nederland gaat het om enkele vogels per jaar, vrijwel allemaal op Vlieland, Terschelling, Schiermonnikoog en Texel. Sinds de jaren negentig overwinteren er bovendien elke winter enkele in West-Europa, tot in stadsparken en tuinen aan toe.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Half oktober tot begin november op een Waddeneiland of een Britse eilandpost, na een periode met oostenwind. Dit is geen soort die je op het open veld vindt: loop de beschutte plekken af — de tuinen bij de vuurtoren, het bosje achter het dorp, de duindoornstruwelen langs de binnenduinrand — en let op het geluid van een vogel die vanuit dekking wegvliegt en in een boom belandt. Zit hij eenmaal, blijf dan staan: hij houdt zich lang stil, laat zich vaak op tien meter benaderen en biedt dan alle tijd voor het beeld dat je nodig hebt — het scherp getekende gezicht met de tweekleurige wenkbrauw en het zwart-witte vlekje aan de rand van het oorveld.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC): het broedareaal beslaat een groot deel van boreaal Azië, het bestand telt vele miljoenen vogels en er zijn geen aanwijzingen voor een afname. Voor het kaartgebied zegt de status weinig, want het gaat om een randverschijnsel. Wat wel opvalt is de trend van de gevallen: het aantal najaarswaarnemingen in West-Europa is sinds de jaren tachtig sterk toegenomen en het aantal overwinteraars eveneens. Betere waarnemers en betere geluidsherkenning verklaren een deel daarvan, maar niet alles; een westwaartse verschuiving van de trekwegen wordt serieus genomen als aanvullende verklaring. Zolang de Siberische taiga in stand blijft, is er voor de soort zelf geen reden tot zorg.
Wetenschappelijke naam
Anthus hodgsoni Richmond, 1907
Richmond beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. hodgsoni eert de Britse diplomaat en verzamelaar Brian Houghton Hodgson (1801–1894), die als resident in Nepal werkte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bengalen.



