Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Roodkeelpieper
Roodkeelpieper | Anthus cervinus
Red-throated pipit | Bisbita gorgirrojo
De enige pieper met een kleur. Vanaf mei staan de mannetjes op de toendra van Finnmark, Lapland en het Kola-schiereiland met een baksteenrode keel, kop en bovenborst — een tekening waar niets anders in Europa op lijkt — en zingen ze vanaf een dwergberk of in een korte zangvlucht boven het moeras. Buiten die paar weken is het een zwaar gestreepte, contrastrijke kleine pieper die op trek in weilanden, rijstvelden en akkers staat en die je vooral aan zijn langgerekte, wegzakkende roep herkent. Hij broedt binnen het gebied van deze gids, maar wie hem in het zuiden wil zien moet in de trektijd aan de oostkant van het Middellandse Zeegebied zijn.
Geluid
De roep is het beste kenmerk dat de soort buiten het broedseizoen heeft, en hij is met niets te verwarren als je hem eenmaal kent: een lang aangehouden, hoog, ijl en enigszins hees psiiiih, dat aan het eind wegzakt en uitdooft alsof er lucht uit iets loopt. Hij is veel langer gerekt dan de korte noten van graspieper en boompieper en klinkt klagend in plaats van scherp; op trek roepen overvliegende vogels vrijwel onafgebroken, en boven de akkers van Israël en Cyprus is dat in oktober een van de vaste geluiden. Daarnaast klinkt bij het opvliegen soms een kort, hard tsjup. De zang, alleen in het hoge noorden te horen, is een merkwaardig eentonige, gonzende en ratelende strofe met een insectachtig, zoemend middenstuk en een afsluitende trilller, gebracht in een lage zangvlucht boven het moeras of vanaf een dwergberk, en hij klinkt eerder als een krekel dan als een zangvogel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en compact, veertien tot vijftien centimeter, met een korte staart en een contrastrijk, zwaar gestreept verenkleed. Het mannetje in zomerkleed is onmiskenbaar: keel, wangen, voorhoofd en bovenborst zijn baksteenrood tot roze-oranje, ongestreept, en die kleur loopt als een kap om de kop heen; daaronder gaat de borst over in wit met zware zwarte strepen. Het vrouwtje heeft minder en bleker rood, soms alleen een roze waas over de keel, en jonge en winterse vogels hebben het helemaal niet. Voor die vogels — en dat zijn de meeste die je te zien krijgt — zijn er twee kenmerken die altijd werken. Het eerste is de stuit: die is bij deze soort duidelijk donker gestreept, terwijl hij bij graspieper, boompieper en Siberische boompieper egaal is; op een wegvliegende vogel is dat vaak het enige wat je ziet, en het is doorslaggevend. Het tweede zijn de rug en de flanken: over de mantel lopen twee brede, roomwitte strepen als bretels, en de flanken dragen zware, brede, gitzwarte strepen op een witte ondergrond — zwaarder en zwarter dan bij welke andere kleine pieper ook. De poten zijn bleek vleeskleurig, de achternagel is lang. De vogel oogt kortstaartig, gedrongen en zeer contrastrijk, en houdt zich laag.
Verwarringssoorten
In zomerkleed valt er niets te verwarren. In het najaarskleed is de graspieper de eerste die je moet uitsluiten: die is doffer en bruiner, heeft een egale stuit, smallere en minder zwarte flankstrepen, veel vagere mantelstrepen en een heel andere, stotterende roep. De boompieper heeft fijne flankstrepen en een egale stuit. De petsjorapieper, die verderop in dit boek staat, is het echte determinatieprobleem: ook zwaar gestreept en met bleke mantelstrepen, maar korter van staart, met een veel zwaardere snavel, een langere handpenprojectie en een harde, korte roep, waar de roodkeelpieper juist lang en klagend roept. Op de trek in Zuid-Europa en de Levant is de Siberische boompieper de derde optie, maar die heeft een ongestreepte groene rug. Wie een zwaar gestreepte kleine pieper heeft en de vogel laat opvliegen, moet in die ene seconde naar de stuit kijken; alles daarna is bevestiging.
Leefgebied
In de broedtijd natte, laaggelegen toendra en moerassige berkenzone: zeggevlaktes en veenmosmatten met poeltjes, dwergberk- en wilgenstruweel langs beken, palsavenen en de vochtige randen van toendrameren, van zeeniveau tot in de lage bergtoendra. Altijd bij water en altijd met wat lage struiken erin. Op de trek en in de winter is het beeld heel anders: dan staat hij op vochtige, kortgrazige weilanden, in rijstvelden, langs irrigatiekanalen, op drassige akkers, langs de randen van moerassen en op net gemaaide of beweide velden, vaak in gezelschap van gele kwikstaarten. Kaal en droog terrein mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Noord-Noorwegen, Zweeds en Fins Lapland en het Kola-schiereiland oostwaarts door heel Arctisch Rusland tot in Alaska. Het Scandinavische en Kola-deel van dat areaal ligt binnen het gebied van deze gids, en daarmee is de roodkeelpieper een — zij het noordelijke en dunne — broedvogel van Europa: in Finnmark, Troms en Fins Lapland is hij plaatselijk zelfs de talrijkste pieper van de moerastoendra. De hele bevolking trekt naar Oost-Afrika, Zuid-Azië en Zuidoost-Azië. De trekbaan loopt overwegend zuidoostwaarts, dus de grote aantallen passeren de oostelijke Middellandse Zee: in Israël, Cyprus, Egypte en Turkije is hij een talrijke doortrekker en plaatselijk een gewone wintervogel. In West-Europa is hij daardoor juist schaars — in Nederland gaat het om enkele tot enkele tientallen vogels per najaar, vooral op de Waddeneilanden en in de Delta, en in Spanje om een handvol gevallen per jaar.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Voor het volle zomerkleed is er maar één adres en één moment: de eerste helft van juni op de toendra van Varanger of Fins Lapland. Rijd daar de weg langs de vlaktes met dwergberk en poeltjes, stop bij elk zingend vogeltje en kijk naar de paaltjes en de struiktoppen; de mannetjes zingen open en bloot en laten zich tot op korte afstand benaderen, en de kleur is dan werkelijk zo helder als op de plaat. In Nederland ligt de kans in de tweede helft van september en de eerste week van oktober, op een kwelder of een pas gemaaid grasland op een Waddeneiland. Loop dan met de wind mee en luister: negen van de tien roodkeelpiepers hier worden op de roep gevonden, en pas daarna gezien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC): het areaal beslaat vrijwel de hele Arctische gordel van Noorwegen tot Alaska en het bestand telt miljoenen vogels. Binnen Europa is de soort beperkt tot het uiterste noorden en zijn de aantallen sterk wisselend van jaar tot jaar, wat bij toendravogels normaal is en samenhangt met het weer in juni en met de knaagdiercyclus, die het jachtgedrag van roofvogels en jagers stuurt. Er zijn wel zorgen op de langere termijn: de moerastoendra waarvan de soort volledig afhankelijk is verandert snel door het opwarmen van het noorden — struweel rukt op, de vlaktes drogen uit en de dooi verandert de waterhuishouding. Daarnaast liggen de winterkwartieren in Oost-Afrika en Zuidoost-Azië, waar moerassen en natte rijstbouw onder druk staan. Voorlopig is er geen aangetoonde afname.
Wetenschappelijke naam
Anthus cervinus (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Motacilla cervina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. cervinus is Latijn voor 'hertkleurig', van cervus 'hert', naar de roodbruine keel van de broedvogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kolyma in Siberië.



