Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Grijze gors
Grijze gors | Emberiza cia
Rock bunting | Escribano montesino
De gors van zonnige, steenachtige berghellingen: een asgrijze kop vol zwarte strepen boven een ongestreepte oranjebruine buik. Hij wipt van rotsblok naar terrasmuurtje en laat zich pas op korte afstand goed bekijken.
Geluid
De zang is een hoge, ijle, gehaaste reeks sisklanken en tikjes, sneller en onregelmatiger dan die van de geelgors en in toon dicht bij een heggenmus: tsi-tsi-tsirri-tsi-tsu. Hij zingt van maart tot in juli vanaf een rotspunt, een muurtje of de top van een lage struik. Roep: een dun, scherp tsii en een kort tsip.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slanke, langgestaarte gors. De kop van het mannetje is licht blauwgrijs met drie scherpe zwarte banen: langs de zijkant van de kruin, door het oog en onder de wang langs. Keel en borst zijn grijs, de rest van de onderdelen ongestreept oranjebruin. De rug is roestbruin met zwarte strepen, de stuit warm kaneelbruin, en de buitenste staartpennen zijn wit. Het vrouwtje is een doffere versie met dezelfde kopstrepen; jonge vogels zijn fijn gestreept op de borst maar tonen al de kaneelbruine stuit.
Verwarringssoorten
Geen andere gors in het gebied heeft een grijze kop met drie zwarte banen boven een ongestreepte oranjebruine buik. De geelgors heeft geel in het gezicht en een roestbruine stuit; de cirlgors heeft een olijfgrijze stuit en gestreepte flanken; de huisgors, die alleen in de Maghreb naast hem voorkomt, is kleiner en korter gestaart en heeft een fijn wit gestreepte kop zonder de zware zwarte banen. In de vlucht valt de grijze gors op als een lange, smalle gors met opvallend witte staartranden.
Leefgebied
Zonnige, rotsige hellingen met puin, verlaten terrasmuurtjes en verspreide struiken, ravijnwanden, oude wijngaarden op steile grond en open bergdennen- en eikenbos met veel rots aan de oppervlakte. Van zeeniveau tot boven de tweeduizend meter; in de winter zakt hij naar lager gelegen dalen, wijngaarden en dorpsranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Bergen van Zuid-Europa en Noordwest-Afrika: Iberië, de Pyreneeën, de Alpen, de Apennijnen, de Balkan en Griekenland, en verder Turkije, de bergen van de Levant en het Atlasgebergte van Marokko, Algerije en Tunesië. Hoofdzakelijk standvogel, met een verticale trek: in de winter verlaat hij de hoogste hellingen. Ten noorden van de Alpen is hij een zeldzame gast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in april vroeg op de dag een zuidhelling met terrasjes en rotsblokken af en let op een vogel die van steen naar steen wipt; de ijle zang komt meestal van een uitstekende punt. Sta stil en wacht — de soort is niet schuw, maar wel onopvallend zolang hij op de grond scharrelt. In de winter is een oude wijngaard onder de bergrand de beste plek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in het grootste deel van zijn gebied gewoon. Aan de noordrand — Zwitserland, Oostenrijk, Zuid-Duitsland — is hij achteruitgegaan doordat terrassen en steile wijngaarden zijn opgegeven en dichtgegroeid. Waar begrazing, steenhopen en open rotsgrond blijven bestaan, houdt hij goed stand.
Wetenschappelijke naam
Emberiza cia Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cia gaat terug op een Italiaanse streeknaam voor deze vogel, bij zirlare 'sjilpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Neder-Oostenrijk.




