Alle soortenZangvogelsGorzen › Smyrnagors

Smyrnagors | Emberiza cineracea

Cinereous bunting | Escribano cinéreo

Een grote, bleke gors van kale steenhellingen, met een groengele kop op een grijs lijf. Hij broedt binnen het kaartgebied alleen op een handvol Egeïsche eilanden en in West-Turkije, in aantallen die in de honderden lopen, en is daarmee een van de meest beperkt verspreide broedvogels van Europa.

Smyrnagors (Emberiza cineracea)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort, hard en wat treurig: drie of vier gelijke, klagende tonen gevolgd door een lagere, in klank tussen de ortolaan en de grauwe gors in en met een metalige bijklank. Hij draagt goed over kale hellingen en wordt vanaf een rotspunt of een lage struik gezongen, vooral in de vroege ochtend van april tot begin juni. De roep is een kort, hard tsjip.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Fors en langgestaart, met een zware grijze snavel en wit aan de buitenzijde van de staart. Het mannetje is opvallend tweekleurig: kop, keel en bovenborst groengeel, de rest van de vogel grijs met een licht getekende rug en een witte buik, en verder een smalle lichte oogring. Het vrouwtje is doffer, met een grijzere kop waar het geel alleen op keel en rond het oog doorschemert en met fijne strepen op de borst. Jonge vogels zijn zandgrijs en zwak gestreept, maar houden de bleke, koele grondtoon van de soort.

Verwarrings­soorten

Op de eilanden is er weinig waar het misgaat, maar bij een dof vrouwtje wel. De ortolaan is kleiner en slanker, heeft een duidelijk gele oogring en warm oranjebruine onderdelen; de smyrnagors is grijs en wit onder. De bruinkeelortolaan is kleiner, blauwgrijs op de kop en oranjebruin van keel. De grijze gors heeft zware zwarte kopstrepen en een ongestreepte oranjebruine buik. Een vrouwtje zwartkopgors is warmer zandbruin en mist het groengele waas op de kop. Grootte, de zware grijze snavel en die koele grijze buik beslissen doorgaans.

Leefgebied

Droge, steile en vrijwel kale hellingen: rotswanden en rotsplateaus met verspreide lage struiken, puinhellingen en steenrivieren, verweerde phrygana met doornstruikjes en kruidige droge graslanden ertussen. Hij foerageert lopend over kale grond tussen de stenen en gebruikt de rotsblokken als zangpost; dichtbegroeide maquis mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartgebied broedt de smyrnagors alleen in West-Turkije en op enkele oostelijke Egeïsche eilanden — Lesbos, Chios, Samos, Ikaria en Skyros — waar de Griekse bevolking op enkele tientallen tot ruwweg honderd paren wordt geschat. Verder naar het oosten, in Zuidoost-Turkije en Iran, leeft een tweede vorm met een volledig gele kop. De hele bevolking overwintert buiten de kaart, langs de Rode Zee en in Noordoost-Afrika; het broedgebied wordt in april bezet en in augustus weer verlaten.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Lesbos in de tweede helft van april is het adres. Rijd naar de kale, steenachtige hellingen boven Sigri en het versteende woud in het westen van het eiland, stop bij zonsopgang en luister naar drie of vier klagende tonen met een lager slot; de vogel zingt van een uitstekende steen en is daar met de telescoop makkelijk te vinden. Kijk naar de scheiding tussen de groengele kop en het grijze lijf — op afstand is dat het enige wat je nodig hebt.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN: Near Threatened). De soort is niet talrijk en heeft een klein, versnipperd broedgebied, en dat maakt haar kwetsbaar: begrazingsdruk, het omzetten van kale hellingen in olijfgaard of aanplant, brand en de aanleg van windparken en wegen op precies die open hellingen spelen alle mee. De Griekse bevolking is klein genoeg om per eiland te worden geteld. Binnen het kaartgebied is dit een soort waarvan het voortbestaan van een paar Egeïsche hellingen afhangt.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cineracea Brehm, 1855

Brehm beschreef de soort in 1855 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cineracea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar het grauwe verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Izmir in Turkije.