Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Keep
Keep | Fringilla montifringilla
Brambling | Pinzón real
De keep is de noordelijke tegenhanger van de vink: hij broedt in het berkenbos en de taiga van Lapland en Rusland en zakt in het najaar naar het zuiden af. In een winter met veel beukennoten kan één beukenbos miljoenen kepen bergen, de grootste vogelconcentratie die Europa te bieden heeft.
Geluid
De roep waaraan je hem in de winter herkent is een hard, nasaal en langgerekt tsjwèèh, schorrer en zeuriger dan het veerkrachtige pink van de vink; in vlucht een droog, hard tjek tjek. De zang, hier zelden te horen, is een eentonig en snerpend dzjieh, herhaald vanuit een boomtop in het noordelijke berkenbos.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Oranje schouder en oranje borst, een scherp afgetekende witte stuit en zwarte vlekjes op de flanken. Het zomermannetje heeft een gitzwarte kop en mantel; in de winter liggen daar bruine veerranden overheen en oogt de kop geschubd. De snavel is dan geel met een zwarte punt, in de zomer blauwzwart. Het vrouwtje is doffer oranjebruin, met twee donkere strepen die de grijze nekzijde omlijsten. De staart is donker en licht gevorkt, zonder wit aan de zijkant.
Verwarringssoorten
De vink is de soort waarmee hij in dezelfde groep zit, en twee harde kenmerken beslissen het. De schouder van de keep is oranje, bij de vink is die wit; de stuit van de keep is helder wit, bij de vink groenig. Die witte stuit is bij het opvliegen van een stoppelveld op grote afstand te zien. Verder mist de keep de witte buitenste staartpennen van de vink en heeft hij in de winter een gele snavel met een zwarte punt.
Leefgebied
Broedt in berkenbos, wilgenstruweel en oud naaldbos langs de noordgrens van het woud. In de winter in beukenbos, op graan- en maïsstoppels, langs erven en bij voedertafels, meestal in gemengde groepen met vinken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord-Scandinavië en Noord-Rusland, in Noorwegen tot aan de Barentszkust. Trekt in oktober en november massaal naar het zuiden, tot in Iberië, Italië en Noord-Afrika. Waar de beukenmast goed is blijft die stroom hangen: slaapplaatsen van miljoenen vogels zijn beschreven uit Zwitserland, Zuid-Duitsland en Slovenië, terwijl de keep in datzelfde gebied een jaar later schaars kan zijn.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in november en december een oud beukenbos op en luister naar het geritsel op de bosbodem: kepen scharrelen lopend tussen het blad en gaan bij verstoring als één wolk de kruinen in, waarbij de witte stuiten oplichten. Bij de voedertafel is de snavel het snelste kenmerk — geel met een zwarte punt, en niet het grijsblauw van de vink.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een zeer grote broedbevolking in het noorden. De aantallen die hier overwinteren wisselen van jaar tot jaar met de beukenmast en zeggen weinig over de toestand van de soort zelf. Op termijn is de kap van berken- en naaldbos in het noorden de belangrijkste zorg.
Wetenschappelijke naam
Fringilla montifringilla Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla voerde hij in datzelfde werk in. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. montifringilla is Latijn voor 'bergvink', van mons, montis 'berg' en fringilla 'vink'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




