Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Blauwe vink

Blauwe vink | Fringilla teydea

Tenerife blue chaffinch | Pinzón azul

De blauwe vink hoort bij één bos op één eiland: het Canarische dennenbos van de Corona Forestal, de brede gordel die de Teide omringt. Het is de grootste vink van het kaartgebied en de enige die van kop tot staart één kleur draagt — een dof, rokerig leiblauw, alsof de vogel in het licht van het dennenbos is uitgewassen. Wie hem zoekt moet omhoog, naar de picknickplaatsen boven de duizend meter.

Blauwe vink (Fringilla teydea)
Foto: Juris Seņņikovs — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is teleurstellend eenvoudig voor zo'n opvallende vogel: een kort, hoog en ijl reeksje van vier tot zeven gelijke, wat piepende noten, traag gebracht en zonder de versnelling en de uithaal van een vinkenslag, en eindeloos herhaald vanaf een dennentak. Hij klinkt van februari tot in juni. De roep is een zacht, scherp tsjie of tsiep, dat door de stilte van het dennenbos verrassend ver draagt — meestal hoor je hem eerder dan je hem ziet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Fors en langgerekt, merkbaar groter dan een vink, met een zware, botte, blauwgrijze snavel en een lange staart. Het mannetje is over de hele vogel leiblauw: kop, rug, borst en flanken, iets donkerder op het voorhoofd en bleker, bijna wit, op de buik en de onderstaart. Rond het oog staat een onderbroken wit ringetje, het enige heldere teken op de vogel. De vleugel is donker met twee vage, smalle grijswitte streepjes die op afstand nauwelijks opvallen; de staart is donker zonder wit. Het vrouwtje is olijfbruin tot grijsbruin, lichter op de onderdelen, met dezelfde zware snavel en nog zwakkere vleugelstreepjes. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Naast de Canarische vink, die in hetzelfde bos zit, is het formaat het eerste wat opvalt: de blauwe vink is een maat groter, met een veel dikkere snavel en een langere staart. Beslissend is de kleur van de onderdelen: bij de Canarische vink oranjeroze borst en witte buik, hier van boven tot onder hetzelfde blauwgrijs, zonder een spoor van roze. De Canarische vink toont bovendien duidelijk afgetekende witte vleugelbanden; die van de blauwe vink zijn smal en vaag en vallen op afstand weg. De Gran-Canarische blauwe vink lijkt sterk op deze soort — hij is bleker en grijzer, met een dunnere snavel en juist duidelijke witte vleugelstrepen — maar dat onderscheid hoef je in het veld nooit te maken: die vogel zit op Gran Canaria en deze op Tenerife, en er is geen eiland waar ze elkaar treffen. Vrouwtjes zijn het lastigst; let dan op de snavel en op het formaat.

Leefgebied

Volgroeid Canarisch dennenbos met een open ondergroei, van ongeveer duizend tot tweeduizend meter, met de grootste dichtheden waar de bodem dik met dennennaalden bedekt is. Ook in gemengd bos waar den, boomheide en laurierbos in elkaar overlopen, en plaatselijk lager op de vochtige noordhelling. Hij leeft van de zaden van de Canarische den, die hij van de grond oppikt, en in de zomer van insecten voor de jongen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Alleen Tenerife. Hij bezet vrijwel de hele Corona Forestal, de dennengordel die als een ring om het Teide-massief ligt, met de bekendste plekken op de zuidhelling bij Las Lajas en de Pinar de Chío en in het noorden bij La Caldera. Hij trekt niet en verlaat het bos nauwelijks; op de andere Canarische Eilanden komt hij niet voor.

Canarische EilandenEl HierroLa PalmaLa GomeraTenerifeGran CanariaFuerteventuraLa GraciosaLanzarote
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de Europakaart zou deze vogel een stipje aan de rand zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Verspreiding per eiland volgens de standaardwerken; eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De picknickplaats Las Lajas, aan de weg van Vilaflor naar de Teide, is de klassieke plek: kom vroeg, ga bij de drinkbak zitten en wacht. De vogels komen daar op de grond drinken en foerageren en laten zich tot op enkele meters bekijken. Lukt het niet, rijd dan de bosweg naar de Pinar de Chío en luister onderweg naar dat scherpe tsjie; het bos is zo stil dat één roep genoeg is om te weten waar je moet zoeken.

Staat van instandhouding

Gevoelig (IUCN: Near Threatened): niet acuut bedreigd, maar met een klein areaal dat het volgende slechte jaar meteen kan raken. De stand wordt op ongeveer duizend paar of meer geschat en is stabiel tot licht toenemend; in de Spaanse nationale beoordeling staat hij als kwetsbaar. De hele soort hangt aan één bos op één eiland, en dat maakt bosbrand de grootste dreiging: de Canarische den loopt na een brand weer uit, maar de zaadoogst valt jarenlang weg. Verder spelen verwilderde katten en ratten een rol, en het verlies van oude bomen met holtes.

Wetenschappelijke naam

Fringilla teydea Barker-Webb et al., 1836

Barker-Webb et al. beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. teydea verwijst naar de Teide, de vulkaan op Tenerife in wier dennenbossen de vogel leeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tenerife.