Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Gran-Canarische blauwe vink
Gran-Canarische blauwe vink | Fringilla polatzeki
Gran Canaria blue chaffinch | Pinzón azul de Gran Canaria
Van deze vogel leven er een paar honderd, en ze zitten allemaal in een handvol dennenbossen in het westen van Gran Canaria. Daarmee is hij de schaarste zangvogel van het hele kaartgebied. Tot 2016 werd hij bij de blauwe vink van Tenerife gerekend; sindsdien wordt hij als aparte soort behandeld, op grond van genetisch onderzoek, metingen en de zang. In het veld ziet vrijwel elke vogel er geringd uit, want de hele bevolking wordt gevolgd.
Geluid
De zang is een korte, hoge en ijle reeks van gelijke noten, traag gebracht en zonder versnelling of uithaal, en klinkt iets korter en hoger dan die van de blauwe vink; het is een van de kenmerken waarop de twee soorten uit elkaar zijn gehouden. De roep is een zacht, scherp tsjie, dat in het stille dennenbos ver draagt. Zingen doet hij vooral van februari tot juni, vanaf een dennentak halverwege de kroon.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een blauwe vink, maar alles net een graadje lichter. Het mannetje is bleek blauwgrijs op kop, mantel en borst, met een zwart bandje over het voorhoofd en een witte, onderbroken oogring; de buik, de flanken en de onderstaart zijn wit tot lichtgrijs, zodat de vogel van onderen duidelijk lichter oogt dan van boven. Over de vleugel lopen twee heldere witte banden die goed opvallen. De snavel is grijs en merkbaar fijner en spitser dan die van de blauwe vink, de vleugel korter. Het vrouwtje is dof grijsbruin met vuilwitte onderdelen en dezelfde witte vleugelbanden.
Verwarringssoorten
De blauwe vink van Tenerife is de enige soort waarmee hij te verwarren is, en het antwoord is in de praktijk het eiland: die zit op Tenerife, deze op Gran Canaria, en er is geen plek waar ze samen voorkomen. Wil je het toch op kenmerken doen, dan is dit de bleekste van de twee: lichter en grijzer blauw, met een witte in plaats van blauwgrijze buik, met duidelijk afgetekende witte vleugelbanden waar de vogel van Tenerife alleen vage grijswitte streepjes heeft, en met een dunnere snavel. Hij is ook iets kleiner en korter van vleugel. De Canarische vink, die op hetzelfde eiland in hetzelfde dennenbos zit, is kleiner en slanker, heeft een oranjeroze borst en een dunne spitse snavel — verwar de twee niet, want een melding van deze soort telt.
Leefgebied
Oud Canarisch dennenbos met een ondergroei van cistus en andere struiken, rond de duizend tot vijftienhonderd meter. Anders dan de vogel van Tenerife heeft hij die struiklaag nodig: daar broedt hij en daar zoekt hij een deel van zijn voedsel, naast de dennenzaden die hij van de grond opraapt. De jonge, aangeplante dennenbossen op de bergkam blijken bruikbaar zolang er beheer is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Alleen Gran Canaria, en daar alleen in het westelijke berggebied: het strikte natuurreservaat Inagua met de aangrenzende bossen van Ojeda en Pajonales, en sinds 2010 een tweede kern op de hoogste kam, La Cumbre. Uit Tamadaba is hij bekend als incidentele gast. Verder komt hij nergens ter wereld voor, en hij verlaat het eiland niet.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Dit is geen soort die je er even bij pakt. De beste kans is een vroege ochtend in maart of april langs de bosweg door Inagua of Ojeda: parkeer, blijf staan en luister naar het scherpe tsjie tussen de dennen. Kijk bij elke vink eerst naar het formaat en de snavel, want de Canarische vink is er veel talrijker. Volg de plaatselijke regels voor het reservaat en blijf op de wegen; het gebied wordt bewaakt en is voor deze vogel de laatste plek die er is.
Staat van instandhouding
Bedreigd (IUCN: Endangered) en daarmee een van de zeldzaamste vogels van het kaartgebied. Na eeuwen van houtkap bleef hij over in drie dennenbossen; de Europese Rode Lijst kwam in 2021 uit op ongeveer 430 vogels, waarvan in 2019 er 362 in Inagua, Ojeda en Pajonales werden geteld en 68 op La Cumbre. Brand is de grote dreiging: in juli 2007 liep Inagua zwaar schade op, en één slechte zomer kan een groot deel van de soort raken. Sinds 2010 loopt er daarom een programma waarbij in gevangenschap gekweekte en uit Inagua overgebrachte vogels een tweede bevolking op La Cumbre vormen, precies om alle eieren niet in één bos te houden; die kern is inmiddels gaan broeden en groeit.
Wetenschappelijke naam
Fringilla polatzeki Hartert, 1905
Hartert beschreef de soort in 1905 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. polatzeki eert de verzamelaar Johann Polatzek (1838–1927), die vogels van de Canarische Eilanden bijeenbracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gran Canaria.

