Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Afrikaanse vink
Afrikaanse vink | Fringilla spodiogenys
African chaffinch | Pinzón africano
De vink van de Maghreb is de opvallendste van de vier, en de enige die niet op een eiland zit. Hij wordt sinds 2021 als aparte soort behandeld, op grond van genetisch onderzoek, metingen en de zang. Wie hem in de kurkeikenbossen van Tunesië of in het cederbos van de Midden-Atlas voor het eerst ziet, schrikt even: een vink met een mosgroene rug, een wit oogringetje en een bijna witte onderzijde.
Geluid
De zang is een korte, droge, ratelende strofe die versnelt en zonder uithaal ophoudt — merkbaar korter en zachter dan de volle vinkenslag, en met minder noten. Te horen van februari tot in juni, vanaf een tak in de bosrand of vanaf een olijfboom. De roep is een kort, hard tjip of pink, en verder een zacht, opgaand hwiet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Het mannetje heeft een asgrijze kop met een zwart voorhoofdbandje boven de snavel, zwarte teugels en een smalle maar duidelijke witte oogring — de wetenschappelijke naam spodiogenys slaat op die asgrijze wangen. De mantel is helder mosgroen tot geelgroen, scherp begrensd tegen de grijze nek. De onderdelen zijn bleek: van vuilwit tot licht grijsroze, met bij de westelijke vogels een roze waas over de borst en bij de oostelijke nauwelijks kleur, en altijd een witte buik. De vleugel is zwart met een zeer brede witte schouderband, een tweede witte streep en gele randen; buitenste staartpennen wit. Het vrouwtje is grijsbruin en veel bleker dan een vrouwtjesvink, met dezelfde brede witte vleugeltekening.
Verwarringssoorten
Naast de vink is dit geen zoekplaatje: de rug is mosgroen in plaats van roestbruin, de onderzijde is bleek in plaats van baksteenroze, de witte vleugelband is breder, en het witte oogringetje met de zwarte teugels geeft de kop een geheel eigen uitdrukking. Wel trekken er in de winter grote aantallen vinken uit Europa door Noord-Afrika, zodat de twee daar naast elkaar staan; kijk dan eerst naar de rug en dan naar de onderzijde. Ten opzichte van de eilandvinken: de Azorenvink en de Madeiravink hebben een blauwgrijze in plaats van asgrijze kop en veel meer kleur op de borst, en geen van beide heeft die scherp afgetekende witte oogring. Naar het zuiden en oosten toe worden de vogels bleker; die van oostelijk Tunesië zijn het witst.
Leefgebied
Het bos van de Maghreb in al zijn vormen: kurkeik en steeneik in het Rifgebergte en de Tell, zomereik en Portugese eik in de vochtiger dalen, cederbos in de Midden-Atlas, aleppoden en jeneverbes op de drogere hellingen, en verder olijfgaarden, boomgaarden, parken, tuinen en de begroeide randen van dorpen en oases. Hij gaat van zeeniveau tot ruim tweeduizend meter. Foerageert op de grond onder de bomen, op paden en in bermen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Noordwest-Afrika: Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en het noordwesten van Libië, met een aparte, geïsoleerde bevolking in het noordoosten van Libië. Hij is standvogel en trekt niet weg. Op de Italiaanse eilanden Pantelleria en Lampedusa, die net binnen het kaartgebied van deze gids vallen, is hij een enkele keer vastgesteld; op het Europese vasteland niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De cederbossen bij Azrou in de Midden-Atlas, of de kurkeikenbossen van Aïn Draham in Noordwest-Tunesië, in maart of april. Zoek hem op de grond langs de bosweg, want daar foerageert hij, en let bij elke vink eerst op de rug: mosgroen is deze soort, roestbruin is een overwinteraar uit Europa. In de winter zitten ze vaak in gemengde groepen, en dan zie je het verschil pal naast elkaar.
Staat van instandhouding
De categorie hierboven is die van de gewone vink. BirdLife, dat de vogels voor de Rode Lijst beoordeelt, houdt deze vink nog bij die soort en beoordeelt hem dus niet apart; de gids toont daarom de categorie van de ruimere soort in plaats van “niet beoordeeld”, want beoordeeld is hij wel — alleen onder een ruimer soortbegrip. In de bosgebieden van de Maghreb is hij plaatselijk talrijk, al is hij buiten die gebieden schaars. De grootste druk is het langzame verdwijnen van het Noord-Afrikaanse bos: kap, overbegrazing van de ondergroei door geiten en schapen, en herhaalde bosbranden. Het cederbos van de Midden-Atlas gaat daarbij het hardst achteruit.
Wetenschappelijke naam
Fringilla spodiogenys Bonaparte, 1841
Bonaparte beschreef de soort in 1841 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. spodiogenys is Grieks voor 'met asgrauwe wangen', van spodios 'asgrauw' en genys 'wang'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sfax in Tunesië.




