Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Pacifische waterpieper

Pacifische waterpieper | Anthus rubescens

American pipit | Bisbita norteamericano

De derde donkerpotige pieper, en de moeilijkste van de drie. De Pacifische waterpieper broedt op de toendra en in het hooggebergte van Noord-Amerika en Noordoost-Siberië en overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en Oost-Azië; hij wordt sinds de jaren negentig als aparte soort naast de waterpieper behandeld. In het kaartgebied is hij een dwaalgast: een handvol vogels per jaar, met de Azoren, Ierland, de Britse zuidwestkust en IJsland als vaste adressen voor de Amerikaanse vorm, en Scandinavië, Finland en het Oostzeegebied voor de Siberische. Wie er een vindt, staat meteen voor het lastigste determinatievraagstuk van deze groep.

Pacifische waterpieper (Anthus rubescens)
Foto: ADJ82 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is voor deze soort belangrijker dan bij welke andere pieper van het gebied ook, juist omdat het uiterlijk zo weinig zekerheid biedt. Hij is dun, hoog en scherp, en klinkt vaak als twee snel opeenvolgende noten: tsip-it of pi-pit — het geluid waaraan de Amerikaanse naam is opgehangen. Vergeleken met de volle, enkele fiest van waterpieper en oeverpieper is hij dunner, korter en scherper afgekapt, en de neiging tot verdubbeling is echt, al roepen de andere twee soorten ook wel eens twee keer. De Siberische vorm klinkt gemiddeld nog wat ijler en hoger. Een geluidsopname weegt bij deze soort daarom zwaarder dan een foto van het verenkleed, en veel Europese gevallen zijn ook zo rondgekomen. De zang, een eentonige, ratelende reeks herhaalde noten in een hoge zangvlucht boven de toendra, is in Europa nooit te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Formaat en bouw van de waterpieper — vijftien tot zeventien centimeter, langvleugelig, met een lange staart en witte buitenste staartpennen — maar de twee vormen die hier opduiken zien er verschillend uit, en dat moet je van tevoren weten. De Amerikaanse vorm rubescens is de zachtste van de drie soorten: bovenop egaal grijsbruin met nauwelijks streping, van onderen warm beige tot okerkleurig — niet wit — met betrekkelijk fijne, smalle strepen op borst en flanken, een vage lichte wenkbrauwstreep, een opvallend zwart oog in een schoon gezicht, een duidelijke donkere baardstreep en donkere poten. Het geheel oogt effen, zacht en warm van kleur, zonder het scherpe zwart-wit van een waterpieper in winterkleed. De Siberische vorm japonicus is precies het tegenovergestelde: koud en contrastrijk, met schoon wit onderaan, zware, zwarte, scherp begrensde strepen op borst en flanken, twee opvallende witte vleugelbanden, een duidelijke witte wenkbrauwstreep — en, en dat is het beste kenmerk dat de hele soort te bieden heeft, vleeskleurige tot roze poten, waar waterpieper en oeverpieper altijd donkere poten hebben.

Verwarrings­soorten

Wees hier eerlijk over wat mogelijk is. Van de waterpieper is japonicus in de winter met redelijke zekerheid te scheiden op de combinatie van roze poten, zwaardere en zwartere streping en twee scherpe witte vleugelbanden; is de vogel stil en het licht vlak, dan is de pootkleur alleen te weinig. De Amerikaanse rubescens is veel lastiger, omdat die net als de waterpieper donkere poten heeft; daar moet het komen van de warme, ongebroken beige ondergrond van de onderdelen, de fijnere streping en de zeer effen, ongestreepte rug — allemaal graduele kenmerken die met slijtage, licht en verenkleedstadium verschuiven. Van de oeverpieper scheidt hem de schonere, warmere, minder vuil ogende onderzijde en de zuiver witte buitenste staartpennen, maar ook dat is een nuanceverschil. De praktijk in Noordwest-Europa is dan ook dat verreweg de meeste aanvaarde gevallen berusten op goede foto's van meerdere kanten, op geluidsopnamen, en niet zelden op een vogel die dagenlang op dezelfde akker of hetzelfde strand bleef. Een zwijgende, eenmalig geziene pieper met donkere poten in oktober is geen Pacifische waterpieper, hoe goed het beeld ook voelde. Graspieper en boompieper zijn kleiner en bleekpotig en spelen hier geen rol.

Leefgebied

In het broedgebied kale, korte toendra en alpiene bergweiden boven de boomgrens, van Alaska en Arctisch Canada tot in de Rocky Mountains, en in Azië de bergtoendra van Noordoost-Siberië en Kamtsjatka; altijd open, laag en steenachtig terrein met vochtige plekken. Buiten de broedtijd is het een vogel van kale, natte vlaktes: drooggevallen slikken, stoppelakkers en geploegd land, kortgrazige weilanden, de randen van meren en lagunes, zeewierstranden en kwelders. De dwaalgasten in Europa worden vrijwel altijd in precies zulk terrein gevonden — een strandvlakte op de Scilly-eilanden, een aardappelakker op een Iers schiereiland, een golfbaan of een vliegveldrand op de Azoren — en ze sluiten zich daar geregeld aan bij groepjes graspiepers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in Arctisch en alpien Noord-Amerika, van Alaska en Noord-Canada zuidwaarts tot in de Rocky Mountains en de Sierra Nevada van Californië, en daarnaast in Noordoost-Siberië, Kamtsjatka en Japan; de Aziatische bevolking overwintert in Oost- en Zuidoost-Azië, de Amerikaanse in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico. In het kaartgebied is de soort een dwaalgast zonder broedbevolking, regelmatige overwintering of doortrek. De Amerikaanse vorm rubescens komt vrijwel jaarlijks aan de westrand: de Azoren hebben de meeste gevallen, gevolgd door Ierland, Zuidwest-Engeland en IJsland, met een sterke piek in oktober en november. De Siberische vorm japonicus verschijnt aan de andere kant van het gebied, in Finland, Zweden, de Baltische staten en Polen, en heeft daarnaast enkele gevallen in Midden- en West-Europa. Voor Nederland gaat het om een zeer klein aantal aanvaarde gevallen, en voor Spanje om een handvol, vrijwel alle op de eilanden en de noordwestkust.

Waar en wanneer kijken

Dit is bij uitstek een soort die je niet gaat zoeken maar tegenkomt, en dan in oktober of november op de juiste plek: de Azoren, een Iers of Cornisch schiereiland, of de Scilly-eilanden. Loop de kortgrazige velden, de aardappelakkers en de strandvlaktes af waar de graspiepers zitten, en let op één vogel die groter, effener en warmer beige oogt dan de rest. Vindt u er een, doe dan drie dingen in deze volgorde: maak een geluidsopname, ook van een enkele roep; fotografeer de poten; en fotografeer de vogel van opzij, van voren en in de vlucht. En blijf: deze dwaalgasten houden zich vaak dagen achtereen aan hetzelfde perceel, en dat is de enige manier om het geval rond te krijgen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC): het areaal beslaat de Arctische en alpiene zone van twee werelddelen, het bestand telt vele miljoenen vogels en er is geen aangetoonde afname. Voor Europa is de status van de soort zonder betekenis, want het gaat om verwaaide en verdreven enkelingen. Interessanter is het beeld van de gevallen: het aantal Europese waarnemingen is sinds de jaren negentig duidelijk gestegen, wat vrijwel zeker samenhangt met het feit dat de soort toen als aparte soort naast de waterpieper werd gezet en waarnemers er sindsdien gericht op letten, en met de betere fotografie en geluidsapparatuur waarmee zo'n geval tegenwoordig kan worden onderbouwd. Op de langere termijn geldt voor de broedgebieden dezelfde zorg als voor alle toendravogels: de opwarming van het noorden verandert de open, korte vegetatie waarvan de soort afhankelijk is.

Wetenschappelijke naam

Anthus rubescens (Tunstall, 1771)

Tunstall beschreef de soort in 1771 als Alauda rubescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. rubescens is Latijn voor 'roodachtig', van ruber 'rood'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.