Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Petsjorapieper

Petsjorapieper | Anthus gustavi

Pechora pipit | Bisbita de Pechora

Een kleine, zwaar gestreepte pieper uit het noordoosten van Rusland, genoemd naar de rivier de Petsjora. Hij overwintert op de Filipijnen en in Indonesië en heeft in Europa niets te zoeken, maar eind september en begin oktober staan er elk jaar een paar op de Britse noordelijke eilanden. Het is een muizige, sluipende vogel die zich liever laat vertrappen dan opvliegt, en die bij het opvliegen bovendien vaak zwijgt.

Petsjorapieper (Anthus gustavi)
Foto: Валерия Ковалева — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is hard, kort en scherp: een metaalachtig pwiet of tsjep, veel harder en droger dan de dunne roep van graspieper, en zonder de klagende uithaal van de roodkeelpieper. Vaak worden twee of drie noten snel achter elkaar gegeven bij het wegvliegen. Het lastige is dat de vogel juist bij de gelegenheid waarbij je hem het meest nodig hebt — het moment dat hij uit het gewas springt — bijna altijd zwijgt; dat zwijgen is bij dwaalgasten zelf een aanwijzing geworden. De zang, in Europa niet te horen, bestaat uit een droge, ratelende, insectachtige strofe die van een lage tak of in een korte zangvlucht boven de moerastoendra wordt gebracht en die eerder aan een krekel dan aan een pieper doet denken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en compact, veertien tot vijftien centimeter, met een korte staart en een opvallend zware, korte snavel met een roze basis. De bovenzijde is de sleutel: zwart en beige zwaar gestreept, met twee brede, roomwitte strepen die als bandjes over de mantel lopen — de mantelstrepen zijn breder en witter dan bij elke andere pieper van het gebied en vallen zelfs op een wegduikende vogel op. Op de vleugel staan twee heldere, brede witte banden, gevormd door de lichte punten van de middelste en grote vleugeldekveren. De onderdelen zijn wit met een beige waas op de borst en met zware, zwarte strepen die over de borst doorlopen tot ver op de flanken. Een structuurkenmerk dat weinig mensen gebruiken maar dat beslissend is: de handpennen steken ver voorbij de schouderveren uit, verder dan bij elke andere kleine pieper, zodat er in rust een lange, donkere vleugelpunt zichtbaar blijft. De poten zijn vleeskleurig tot bleekroze. Het geheel is klein, gedrongen en heel contrastrijk, en hij houdt zich laag en horizontaal, kruipend door de vegetatie als een muis.

Verwarrings­soorten

De roodkeelpieper is de eerste die je moet uitsluiten en lijkt er in de winter- en jeugdkleren sterk op: ook zwaar gestreept en met bleke mantelstrepen, maar hij is langer van staart, heeft een gestreepte stuit, een kortere handpenprojectie, een dunnere snavel en een heel andere roep — een langgerekt, hoog, ijl psiiih dat wegzakt, terwijl de petsjorapieper hard en kort roept. Bij de roodkeelpieper zijn de mantelstrepen bovendien smaller en beigekleuriger, en zit er meestal wat roze of roestig aan gezicht of keel. Graspieper is doffer en olijver, mist de brede witte mantelstrepen en de zware snavel en heeft veel minder contrast op de vleugel. De boompieper is groter, langer van staart, veel gladder van rug, met fijne strepen op de flanken en een olijfgroene toon. Wie een zwaar gestreepte kleine pieper in een aardappelveld op Shetland vindt, doet er goed aan bij alle vier te beginnen en pas daarna een naam te noemen.

Leefgebied

In het broedgebied natte toendra en moerassige riviervlaktes met dwergberk en wilgenstruweel, altijd bij water. De dwaalgasten in Europa zitten in dicht, laag gewas op de eilanden: aardappelvelden en koolakkers, hoge kruidenvegetatie langs muurtjes en greppels, gerstestoppel, iris- en zeggevelden, en verruigde weiden bij bebouwing. Het beeld is bijna altijd hetzelfde: een vogel die uit het gewas wipt, veertig meter laag en recht wegvliegt en weer in de dekking valt, waarna hij pas na lang wachten opnieuw te zien is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van het stroomgebied van de Petsjora in Noordoost-Europees Rusland oostwaarts door Siberië tot Kamtsjatka en de Tsjoektsjen, en overwintert in Indonesië en op de Filipijnen. De westgrens van het broedgebied ligt ruim buiten deze kaart, en binnen het kaartgebied is de soort dus een dwaalgast. Het zwaartepunt van de Europese gevallen ligt op Fair Isle, Shetland en de Orkneys, met veruit de meeste vogels in de laatste week van september en de eerste dagen van oktober; daarnaast zijn er verspreide gevallen langs de Noordzeekust, in Scandinavië en in Midden-Europa. In Nederland gaat het om enkele aanvaarde gevallen in totaal, meest op de Waddeneilanden.

Waar en wanneer kijken

Dit is geen soort die je gaat zoeken maar een die je tegenkomt, en dan alleen op de juiste plek in de juiste week: eind september op een Shetlandeiland of Fair Isle, na een periode oostenwind. Loop dan de aardappelvelden en de ruigten langs de stenen muurtjes stap voor stap af — echt stap voor stap, want hij vliegt pas op als je er bijna op staat. Vliegt er iets kleins, zwaar gestreepts en kortstaartigs op, kijk dan naar de rug: twee brede, witte strepen over de mantel en twee brede witte vleugelbanden zijn wat je moet zien. Ga daarna zitten en wacht; hij komt vrijwel altijd terug naar dezelfde hoek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC): het broedareaal beslaat een groot deel van Noord-Siberië en het bestand is groot, al is het in die uitgestrektheid nauwelijks te tellen. Er zijn geen aanwijzingen voor een afname, maar de soort is wel gevoelig voor de snelle veranderingen in de moerastoendra en de riviervlaktes van het noorden. Voor Europa blijft hij een zeldzaamheid; het aantal gevallen per jaar hangt vooral af van de weersituatie eind september en van het aantal waarnemers dat dan op de noordelijke eilanden zit.

Wetenschappelijke naam

Anthus gustavi Swinhoe, 1863

Swinhoe beschreef de soort in 1863 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. gustavi eert de Nederlandse sinoloog en veldnatuuronderzoeker Gustaaf Schlegel (1840–1903), zoon van Hermann Schlegel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Xiamen in China.