Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Mongoolse pieper
Mongoolse pieper | Anthus godlewskii
Blyth's pipit | Bisbita de Blyth
De kleinere, kortsnavelige tegenhanger van de grote pieper, uit Mongolië en Transbaikalië. In het veld is hij daar nauwelijks van te scheiden, en dat is geen bescheidenheid maar de eerlijke stand van zaken: van de vogels die in Europa als 'grote of Mongoolse pieper' worden gemeld blijft een flink deel voorgoed onbenoemd. Wie hem wil vaststellen, moet het van de roep hebben en van een goede foto van de vleugel.
Geluid
De roep is het enige kenmerk waarmee een overvliegende vogel benoemd kan worden. Hij is zachter, korter en veel minder rasperig dan die van de grote pieper: een nasaal, wat blatend psjeu of tsjuu dat aan het eind wegzakt in plaats van te schuren, en dat in klank het midden houdt tussen een gele kwikstaart en een jonge spreeuw. Kenmerkend is dat er vaak een kort, droog tsjep of tsjip op volgt, of dat de vogel dat korte notenpaar los gebruikt; die noot heeft de grote pieper niet. Het probleem is dat de rasperige roep van de grote pieper varieert en dat vermoeide of net opgeschrikte vogels korter en zachter roepen, zodat er een grijs gebied blijft. Een opname met de telefoon en een sonagram achteraf is bij deze twee soorten geen luxe. De zang, een eenvoudige herhaalde strofe in een hoge zangvlucht boven de steppe, is in Europa nooit gehoord.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een grote pieper in miniatuur: vijftien tot zeventien centimeter, dus merkbaar kleiner en vooral compacter en korter van poot, met een boompieperachtige indruk en een minder rechtopstaande houding. De snavel is korter, fijner en spitser en oogt daardoor minder zwaar; de achternagel is duidelijk korter en sterker gebogen dan die van de grote pieper, ongeveer even lang als de achterteen. De bovenzijde is warm zandbruin met donkere strepen, de borst is beige met fijne, korte strepen en een smallere baardstreep dan bij de grote pieper. Het beste plumagekenmerk zit op de middelste vleugeldekveren: elke veer heeft een zwarte kern die recht is afgesneden, met daarboven een brede, scherp begrensde roomkleurige punt die als een blokje afsteekt. Bij de grote pieper loopt die donkere kern spits toe en is de bleke zoom vaag. Verder is de tweede buitenste staartpen bruikbaar: het wit erop is bij de Mongoolse pieper beperkter en beigekleurig, met de donkere binnenrand schuin doorlopend tot dicht bij de punt. Dit zijn alle drie kenmerken van veren, geen kenmerken van een wegvliegende vogel.
Verwarringssoorten
De grote pieper is de enige die er werkelijk toe doet, en de verschillen zijn hierboven en op zijn eigen bladzijde uitgeschreven. Onthoud de volgorde waarin ze bruikbaar zijn: eerst de roep, dan de middelste vleugeldekveren op een foto, dan de lengte van de achternagel, en pas daarna algemene indrukken van grootte, snavelzwaarte en houding — precies andersom dan de meeste mensen in het veld doen. De boompieper lijkt qua bouw en formaat op een Mongoolse pieper maar is olijfbruin in plaats van zandbruin, heeft fijn gestreepte flanken, korte roze poten en een korte, gebogen achternagel, en zijn roep is een hees tiez. De duinpieper is groter, bleker, langer van poot en heeft een schone, ongestreepte borst. Een deel van de vogels dat als Mongoolse pieper wordt gemeld, blijkt bij nader inzien een kleine grote pieper te zijn; blijf bij twijfel bij 'niet vast te stellen'.
Leefgebied
In het broedgebied droge, stenige heuvelsteppe en grasvlaktes met verspreide struiken, tot ver boven de tweeduizend meter. De Europese dwaalgasten worden gevonden waar ook de grote pieper zit, maar gemiddeld in korter en droger gras: begraasde graslanden en akkerranden, kort gemaaide vliegveldbermen, aardappel- en bietenakkers na de oogst, duinweitjes en de bovenrand van kwelders. Ze foerageren lopend op open grond en verdwijnen bij verstoring in de eerste de beste ruigte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Mongolië, Zuid-Siberië ten oosten van de Altaj, Transbaikalië en Noord-China, en overwintert in India, Nepal en Myanmar. In het kaartgebied is hij een echte dwaalgast, met tot dusver enkele tientallen aanvaarde gevallen, sterk geconcentreerd in Groot-Brittannië, Ierland, Scandinavië en Nederland en met kleinere aantallen in Midden-Europa en rond de Middellandse Zee. De meeste vogels verschijnen in oktober en november, met een tweede, kleiner venster in de winter en het vroege voorjaar: een aantal dwaalgasten blijft wekenlang op één veld staan. In Nederland gaat het om een handvol gevallen sinds de eerste vaststelling; België, Duitsland en Denemarken staan er ongeveer net zo voor.
Waar en wanneer kijken
Realistisch gesproken vind je deze soort niet, je vindt eerst een 'grote of Mongoolse pieper'. Loop in oktober en november dezelfde ruige graslanden, akkerranden en duinweitjes af als voor de grote pieper, en neem bij elke roepende vogel meteen geluid op — dat is belangrijker dan de foto. Krijg je de vogel op de grond, fotografeer dan niet het portret maar de gevouwen vleugel, van opzij en scherp: de rij middelste vleugeldekveren met hun recht afgesneden zwarte kernen en blokvormige lichte punten is wat de commissie wil zien. Lukt geen van beide, laat de vogel dan onbenoemd; dat is bij dit tweetal geen falen maar de normale uitkomst.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een groot en dunbevolkt broedareaal in de Centraal-Aziatische steppe en geen aanwijzingen voor een afname. Voor Europa is de soort een zeldzaamheid en niet meer dan dat. Wel is het aantal aanvaarde gevallen sinds de jaren tachtig duidelijk gestegen, en dat komt vrijwel zeker doordat waarnemers de roep zijn gaan herkennen en doordat digitale opnames en foto's het mogelijk maken om achteraf te bewijzen wat vroeger een vermoeden bleef. Het is dus eerder de waarneming dan de vogel die is veranderd.
Wetenschappelijke naam
Anthus godlewskii (Taczanowski, 1876)
Taczanowski beschreef de soort in 1876 als Agrodoma godlewskii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is de Latijnse naam die Plinius de Oudere gaf aan een klein vogeltje van graslanden. godlewskii eert de Poolse edelman en veldnatuuronderzoeker Wiktor Godlewski (1831–1900), die tijdens zijn Siberische ballingschap vogels verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het dal van de Argoen in Transbaikalië.


