Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Oostelijke gele kwikstaart
Oostelijke gele kwikstaart | Motacilla tschutschensis
Eastern yellow wagtail | Lavandera boyera oriental
De oostelijke gele kwikstaart is de Siberische tegenhanger van onze gele kwikstaart en wordt sinds 2003 als aparte soort behandeld, nadat genetisch onderzoek liet zien dat de oostelijke vormen niet bij de westelijke horen. Voor de waarnemer betekent dat een bleke, koud gekleurde kwikstaart die in november op een modderige akkerrand staat, wekenlang blijft en pas met een geluidsopname op naam komt. Het is een zeldzaamheid van de late herfst, en het aantal gevallen groeit.
Geluid
De roep is het kenmerk waar alles op draait: een luid, raspend, schor en wat afgeknepen dzriep of tsriep, vlakker en ruiziger dan de volle roep van de gele kwikstaart en dicht bij die van de citroenkwikstaart. Wie in het najaar tussen de kwikstaarten op een akkerrand een roep hoort die schuurt in plaats van klinkt, doet er goed aan de telefoon op te nemen en het geluid te bewaren. De zang, die in Europa niet te horen is, bestaat uit korte, ijle, raspende strofen, vergelijkbaar met die van de gele kwikstaart.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Vrijwel even groot als de gele kwikstaart, vijftien tot zestien centimeter, met zwarte poten en dezelfde korte staart. Vrijwel alle vogels die Europa bereiken zijn jong en in hun eerste winterkleed, en dat kleed is het onderwerp. De bovendelen zijn koel grijsbruin, zonder het olijfgroen dat een jonge gele kwikstaart altijd ergens laat zien; het geheel oogt zandig en vaal. De onderdelen zijn wit tot vuilwit, met hooguit een gelige zweem op de onderstaartdekveren en een warme waas op de flanken, en de keel is schoon wit. Op de vleugel staan twee lichte banden, gevormd door brede witachtige toppen aan de dekveren, en de armpennen hebben brede lichte zomen. De koptekening is vlak: een bleke wenkbrauwstreep, een donkerder oorveld en vaak een fijn donker halskettinkje. De achternagel is lang en maar weinig gebogen, langer dan bij de gele kwikstaart; op een goede foto van een lopende vogel is dat te zien. Volwassen mannetjes in zomerkleed, die hier niet of nauwelijks voorkomen, hebben een grijze kruin, een witte wenkbrauwstreep en een witte keel onder de gele onderdelen.
Verwarringssoorten
De gele kwikstaart is het enige echte alternatief, en het verschil is een kwestie van kleurtoon en geluid. Toon: de oostelijke is koel grijsbruin en zandig, zonder olijfgroen op rug of stuit, en wit van onderen; jonge gele kwikstaarten houden een groenige of olijfbruine zweem en zijn geelbeige tot beige onder. Keel: schoon wit tegenover doorgaans licht geelbeige. Achternagel: lang en recht tegenover korter en sterker gebogen. Beslissend is de roep: een luid, raspend, schor dzriep met veel ruis, waar de gele kwikstaart een vol, zangerig en veel schoner psrie geeft. Omdat het verschil in kleed op zichzelf zelden genoeg is, worden gevallen in Europa vrijwel altijd op geluidsopnamen beoordeeld, en steeds vaker ook op DNA uit uitwerpselen of een gevonden veertje. De citroenkwikstaart klinkt bijna gelijk en is ook grijs en wit, maar heeft veel bredere witte vleugelbanden, een lichte omlijsting die rond het hele oorveld doorloopt en een lichter voorhoofd. De grote gele kwikstaart is veel langer van staart en heeft vleeskleurige poten.
Leefgebied
Broedt in natte toendra en in de moerassige zone daaronder: zeggemoerassen, drassige riviervlaktes, veenkussens met poelen en open berkenopslag. In de winter en op de trek in vochtig grasland, op rijstvelden, langs de randen van rioolwaterzuiveringen en op modderige akkerranden. De vogels die in Europa opduiken kiezen precies dat laatste: een natte hoek van een akker, een drinkplaats bij vee, een bezinkveld of een uitgereden mestperceel, waar ze soms weken- tot maandenlang blijven en met een handjevol witte kwikstaarten meelopen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Noord- en Oost-Siberië, van ongeveer de Jenisej oostwaarts tot aan de Beringzee, en met een uitloper in westelijk Alaska; overwintert in Zuidoost-Azië, van India tot de Filippijnen en Indonesië. Naar Europa dwaalt jaarlijks een klein aantal af, vrijwel altijd jonge vogels in oktober, november en december, met een deel dat blijft overwinteren; Groot-Brittannië en Nederland leveren de meeste gevallen, maar ook Scandinavië, Duitsland en Frankrijk hebben er. In Nederland gaat het om een handvol aanvaarde gevallen, en het aantal stijgt naarmate meer waarnemers de roep opnemen. In Spanje is de soort een uitzonderlijke zeldzaamheid.
Waar en wanneer kijken
Loop in november en december akkerranden, mestpercelen en rioolwaterzuiveringen af waar witte kwikstaarten foerageren, en let op de vogel die kouder en valer is en wit van onderen in plaats van beige. Zo'n vogel blijft doorgaans lang op dezelfde plek, dus haast is niet nodig: neem de tijd, wacht tot hij roept en neem dat geluid op. Maak daarnaast foto's van de vogel terwijl hij loopt, met de poot scherp in beeld, want de lange rechte achternagel is een van de weinige kenmerken die op beeld vast te leggen zijn. Zonder geluid komt een najaarsvogel in de praktijk zelden op naam.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd: het broedgebied is enorm en de populatie is groot. Het aantal Europese gevallen neemt duidelijk toe, maar dat zegt in de eerste plaats iets over de waarnemers. De soort is pas sinds 2003 als apart behandeld, de najaarskleden zijn pas daarna goed beschreven, en het gebruik van geluidsopnamen en van DNA uit uitwerpselen heeft het mogelijk gemaakt om vogels te bevestigen die vroeger als bleke gele kwikstaart in het notitieboekje bleven. Of er daarnaast ook werkelijk meer vogels deze kant op komen, is niet uitgemaakt.
Wetenschappelijke naam
Motacilla tschutschensis Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. tschutschensis verwijst naar het schiereiland Tsjoekotka in het uiterste oosten van Rusland, waar de eerste beschreven vogels vandaan kwamen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van Tsjoekotka.



