Alle soortenZangvogelsGorzen › Maskergors

Maskergors | Emberiza spodocephala

Black-faced bunting | Escribano enmascarado

Een donkere, schuwe gors uit het Verre Oosten die hier zelden opduikt, meestal in oktober. Hij houdt zich laag in natte struiken op, schuifelt over de modder als een muis en verraadt zich met een korte, harde roep en met witte staartranden als hij dieper de dekking in duikt.

Maskergors (Emberiza spodocephala)
Foto: Константин Шатилов — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, hard en wat metaalachtig tsjik, luider en voller dan dat van een dwerggors en meestal het eerste teken dat er iets in de struik zit. De zang, hier niet te horen, is een korte en wat aarzelende reeks fluitende en ratelende tonen die eerder aan een winterkoninkje dan aan een gors doet denken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een gedrongen gors met een vrij lange, ingesneden staart met witte buitenste staartpennen, een bruin gestreepte rug en een egaal bruine stuit. Het mannetje heeft een olijfgrijze kop met een zwartig masker rond snavelbasis, teugel en kin, gelig witte onderdelen en fijne donkere streepjes op de flanken; de snavel is roze met een donkere top. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn doffer: olijfgrijze wangen, een flauwe roomwitte wenkbrauwstreep, een donkere snorstreep en romig gele onderdelen met bruine strepen. Bij onrust wipt hij met de staart en spreidt hij het wit aan de zijkanten.

Verwarrings­soorten

Het olijfgrijs op kop en borst is de sleutel: geen andere gors die hier kan opduiken heeft die koele, groengrijze toon. De rietgors heeft een scherpe donkere snorstreep onder een lichte baardstreep en roestbruine kleine vleugeldekveren, en mist het geel. De ortolaan is slanker, heeft een gele oogring en oranjebruine onderdelen. De dwerggors is kleiner en heeft een roestbruine wang met een romige oogring. Een vogel die zo dicht bij de grond blijft, zo weinig laat zien en zo donker oogt, hoort in de winter altijd goed bekeken te worden.

Leefgebied

Waar hij hier wordt gezien is het steevast laag en nat: rietkragen en wilgenstruweel langs sloten en plassen, verruigde oevers, dichte tuinen en parkranden met dekking tot op de grond, en soms een voerplek waar hij tussen mussen en vinken opduikt. In het broedgebied zit hij in vochtig struweel langs bosbeken en in ondergroei van bergbos, maar dat ligt ver buiten de kaart.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Oost-Siberië, Noordoost-China en Japan, overwinterend van Zuid-China tot Zuidoost-Azië; binnen het kaartgebied is hij een echte dwaalgast. De aanvaarde gevallen liggen verspreid over Noordwest-Europa en vallen vooral in oktober, op eilanden en kustposten; daarnaast is er een kleine reeks vogels die in het late winterhalfjaar wekenlang op dezelfde plek bleven. Het eerste Britse geval was zo'n vogel: een eerstejaars mannetje dat van 8 maart tot 24 april 1994 bij Pennington Flash in Greater Manchester verbleef. Nederland en Spanje hebben er elk hooguit enkele.

Waar en wanneer kijken

Bij deze soort helpt geduld meer dan afstand afleggen. Zit er in oktober of in de nawinter een donkere, gelige gors laag in een natte struik die zich niet laat opjagen, blijf dan staan en wacht tot hij op de open modder komt. Let op de olijfgrijze kop, de roze snavel en het witte staartrandje, en maak vooral een foto van de kop van voren: het zwartige masker rond de snavelbasis is het kenmerk waar een commissie op let. Meld de vogel meteen; een maskergors blijft vaak langer dan je denkt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern): het broedgebied is groot en de aantallen zijn hoog. Wel geldt ook voor deze soort dat ze in Oost-Azië bij de vangst van gorzen in de netten belandt, en dat het aandeel maskergorzen in die vangsten toenam naarmate de wilgengors zeldzamer werd. Voor het kaartgebied gaat het niet om bescherming maar om een handvol gevallen en om de vraag of ze goed zijn gedetermineerd.

Wetenschappelijke naam

Emberiza spodocephala Pallas, 1776

Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. spodocephala is Grieks, van spodos 'as' en kephalos 'koppig', naar de asgrauwe kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Daurisch gebergte in Siberië.