Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Rode bergvink
Rode bergvink | Rhodopechys sanguineus
Crimson-winged finch | Camachuelo alirrojo asiático
De rode bergvink is een vogel van hoge, kale berghellingen: puin, rots en kort gras boven de boomgrens, van de Atlas in Marokko via Turkije en Libanon tot de Kaukasus. Op de grond is het een onopvallende zandbruine vink, maar zodra hij opvliegt lichten de roze vleugelpanelen op en is er geen twijfel meer.
Geluid
De roep is een licht rollend, wat nasaal tsjrrit of tjilp-tjilp, in de vlucht vaak in korte reeksen. De zang is een kort, droog en wat schetterend gebabbel met nasale halen ertussen, vanaf een rotsblok of tijdens een korte zangvlucht; het geluid is bescheiden en gaat in de bergwind snel verloren.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een forse, grootkoppige vink met een dikke, bleekgele tot hoornkleurige snavel. Het lichaam is warm zandbruin, de borst rozig overwassen; de kruin draagt bij het mannetje een zwarte kap tot achter het oog. Vleugel en staart maken het beeld: brede rozerode panelen in de vleugel, witte en zwarte tekening in de handpennen en een zwarte staart met witte zijranden, allemaal het best te zien in de vlucht. Het vrouwtje is doffer, met minder roze en een bruinere kruin.
Verwarringssoorten
De woestijnvink is veel kleiner en compacter, heeft een grijze kop zonder zwarte kap en in de zomer een koraalrode snavel; roze zit er alleen als waas op, niet als paneel. De vale woestijnvink heeft eveneens een roze vleugelpaneel, maar is zandkleuriger, heeft een zwarte snavel en mist de zwarte kruin. De kneu toont wit in vleugel en staart, geen roze, en is veel slanker. Formaat, zwarte kap en het rozerode paneel zijn samen sluitend.
Leefgebied
Hoge, kale hellingen tussen ongeveer 1800 en 3000 meter: puinhellingen, blokvelden, verweerde rotsplateaus en de schrale grasmatten en dwergstruikjes ertussen. Foerageert lopend over de grond aan zaad van bergkruiden, vaak bij sneeuwvelden. In de winter zakt hij naar lagere hellingen, akkerranden en dorpsomgevingen in het bergland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een sterk versnipperd areaal. Binnen het kaartgebied: de Hoge en Midden-Atlas in Marokko en het bergland van Algerije, het Taurus- en Oost-Anatolisch gebergte in Turkije, de Libanon en Anti-Libanon, en de Kaukasus aan de oostrand van het venster. Oostwaarts gaat de soort door tot Iran en Centraal-Azië. Overal een standvogel met alleen verticale bewegingen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in juni naar een hoge pas — in Marokko de Tizi n'Tichka of het Oukaïmeden-plateau, in Turkije de hoogvlakten van de Taurus — en zoek de kale grindvlakken af. De vogels lopen tussen de stenen en vallen dan nauwelijks op; jaag ze niet op, maar wacht tot een groepje opvliegt: dan zie je de roze vleugels. Ook drinkplaatsen en smeltwaterplasjes zijn goede plekken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar wel overal dun verspreid en gebonden aan een smalle hoogtezone. Zware beweiding van de hoge weiden en, in de Atlas, het verdwijnen van bronnen en smeltwater zijn de reële risico's; de bevolkingen van Marokko en Libanon zitten in kleine, van elkaar gescheiden gebieden.
Wetenschappelijke naam
Rhodopechys sanguineus (Gould, 1838)
Gould beschreef de soort in 1838 als Fringilla sanguinea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhodopechys werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Rhodopechys is Grieks, van rhodon 'roos, rozerood' en pēkhus 'onderarm, vleugel', naar het roze in de vleugel. sanguineus is Latijn voor 'bloedrood', van sanguis 'bloed'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Erzurum in Turkije.



