Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Woestijnvink

Woestijnvink | Bucanetes githagineus

Trumpeter finch | Camachuelo trompetero

De woestijnvink klinkt als een speelgoedtrompet: een zoemend, nasaal toetje dat over een kale steenvlakte draagt en dat je, eenmaal gehoord, nooit meer met iets anders verwart. Het is bovendien geen exotische verschijning maar een Europese broedvogel — hij broedt in Zuidoost-Spanje, op alle Canarische Eilanden, in de Maghreb en in Israël.

Woestijnvink (Bucanetes githagineus)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het handelsmerk: een langgerekt, nasaal en zoemend tsjèèèh, met de klank van een blikken speelgoedtrompet of een kazoo, vaak in korte reeksen vanaf de grond of in de vlucht. De zang bestaat uit een paar van die zoemtonen achter elkaar, met wat drogere ratelnoten ertussen, gebracht vanaf een steen, een muurtje of in een korte fladderende zangvlucht.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een klein, gedrongen vinkje met een groot hoofd, een korte staart en een opvallend zware, stompe snavel. Kop en nek zijn zilvergrijs, de rug is zandbruin en de onderdelen zijn bleek zandroze; vleugel en staart dragen roze randen die in het zonlicht oplichten. Het broedende mannetje heeft een felle koraalrode snavel — het opvallendste kenmerk dat de soort bezit. Bij het vrouwtje en in de winter is die snavel geelhoornkleurig en is de hele vogel doffer en zandiger, met minder roze.

Verwarrings­soorten

Zonder de snavelkleur is het een bleek, effen vogeltje, en dan tellen bouw en geluid. De kneu is slanker, heeft witte vleugelvlekken en witte staartranden en is duidelijk gestreept. De sinaïroodmus, in het Midden-Oosten de buur, is groter en langstaartiger met een hoornkleurige snavel. De vale woestijnvink heeft een zwarte snavel en een zwart-witte vleugel. De woestijnvink is van alle het kleinst en bolst, met de zwaarste snavel op het kleinste lichaam — en met die roep is elke twijfel meteen voorbij.

Leefgebied

Het kaalste terrein dat er is: steenwoestijn, badlands, uitgedroogde ramblas, grindvlakten, lavavelden, verlaten groeven en steppehellingen met wat ijl struikje. Broedt in een spleet of onder een steen en foerageert lopend over de kale grond aan zaad van eenjarige kruiden. Moet dagelijks drinken en blijft daardoor binnen bereik van een bron, een veedrinkbak of een klein stuwmeertje.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In Europa alleen in het zuidoosten van Spanje — Almería, Murcia, Granada en het zuiden van Alicante — waar hij zich vanaf de jaren zestig vestigde en waar nu enkele duizenden vogels zitten. Verder op alle Canarische Eilanden, algemeen op Lanzarote en Fuerteventura, en door de hele Maghreb, Egypte, de Sinaï, Israël en Jordanië. Buiten die gebieden een grote zeldzaamheid: in Noordwest-Europa staan enkele tientallen gevallen op naam, meestal in het late voorjaar.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga bij het eerste licht naar een steenvlakte met een drinkplaats — de omgeving van Cabo de Gata, de woestijn van Tabernas, of op Fuerteventura elke veedrinkbak bij een verlaten cortijo. Ga zitten en luister; het zoemtoontje verraadt de vogels lang voordat je ze ziet, want lopend over grind zijn ze vrijwel onzichtbaar. Rond het middaguur is het gebied leeg en heeft zoeken geen zin.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De Spaanse bevolking is klein en beperkt tot een strook die zwaar onder druk staat van kassenbouw, zonneparken en verstedelijking; op de Canarische Eilanden en in Noord-Afrika is de soort talrijk en gaat het goed. Drinkplaatsen in stand houden is de eenvoudigste manier om hem te helpen.

Wetenschappelijke naam

Bucanetes githagineus (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla githaginea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bucanetes werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Bucanetes is Grieks, van bukanētēs 'trompetter', bij bukanē 'hoorn', naar de nasale roep. githagineus is Latijn, gevormd bij Githago, de bolderik, van gith 'koriander' en -ago 'lijkend op'; Temminck meende dat de vogelnaam van die plantnaam kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Deram in Boven-Egypte.