Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Vale woestijnvink
Vale woestijnvink | Rhodospiza obsoleta
Desert finch | Camachuelo desertícola
De vale woestijnvink is een zandkleurige vink met twee kenmerken die je nergens anders zo bij elkaar ziet: een gitzwarte snavel en een zwart-witte vleugel met een roze paneel. In het kaartgebied haalt hij alleen de zuidoosthoek — Israël, Jordanië en Zuidoost-Turkije — en daar zit hij niet in de woestijn zelf maar in de boomgaarden en tamariskenstroken aan de rand ervan.
Geluid
De roep is een zacht, wat nasaal en klagend sjrieè, dat in klank aan een kneu doet denken maar trager en weker klinkt. De zang is een rustig, licht rollend gebabbel met nasale en zoemende halen ertussen, vanuit een boomkruin of van een draad; het is een aangenaam maar weinig doordringend geluid dat je makkelijk over het hoofd hoort.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een middelgrote, slanke vink, egaal zandbruin tot lichtbeige, zonder streping. De snavel is zwart en blijft dat het hele jaar; bij het mannetje is bovendien het gebied rond de snavelbasis en de kin zwart. De vleugel is opvallend getekend: zwarte pennen met brede witte randen aan de tertials en een zacht rozerood paneel op de grote dekveren, dat in de vlucht als een roze streep oplicht. De staart is zwart met witte zijkanten. Het vrouwtje is vrijwel gelijk, maar iets doffer en zonder het zwart aan de kin.
Verwarringssoorten
De woestijnvink is kleiner en gedrongener, heeft een grijze kop, een dikke geelhoornkleurige tot koraalrode snavel en geen zwart-wit in de vleugel. De rode bergvink heeft ook een roze vleugelpaneel, maar is forser, heeft een zwarte kruin en een bleke snavel. De kneu is gestreept en toont wit, geen roze, in vleugel en staart. Zie je een effen zandkleurige vink met een zwarte snavel, dan is de zaak rond.
Leefgebied
De rand van de woestijn waar mensen water brengen: boomgaarden, amandel- en granaatappeltuinen, populieren- en tamariskenrijen langs wadi's en irrigatiekanalen, dorpsranden, akkerranden en acaciastruweel. Broedt in een boom of hoge struik en foerageert op de grond en op zaaddragende kruiden, vaak in kleine groepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt van het areaal ligt in Centraal-Azië en Iran; binnen het kaartgebied gaat het om de westrand daarvan: Zuidoost-Turkije langs de Eufraat en de Tigris, Syrië, Jordanië en Israël, waar de soort zich in de twintigste eeuw vestigde en zich sindsdien in de Arava en rond de Dode Zee heeft uitgebreid. Standvogel, met in de winter wat zwerfbewegingen naar lager en warmer gebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de winter bij de boomgaarden en tamarisken van de Arava, rond Eilat, Yotvata en de kibboetsvelden: dan zitten er groepjes bij elkaar en zijn ze het makkelijkst te vinden. In Turkije werken de akkerranden en populierenrijen rond Birecik en Diyarbakır. Let eerst op de zwarte snavel — die zie je ook als de vogel stil in de schaduw van een boom zit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort profiteert juist van menselijk gebruik van de woestijnrand: irrigatie, boomgaarden en aanplant hebben haar in Israël en Jordanië een uitbreiding opgeleverd. Alleen waar oude boomgaarden en tamariskenstroken plaatsmaken voor kale intensieve teelt verdwijnt ze weer.
Wetenschappelijke naam
Rhodospiza obsoleta (Lichtenstein, 1823)
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla obsoleta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhodospiza werd in 1888 ingevoerd door Sharpe. Rhodospiza is Grieks, van rhodon 'roos, rozerood' en spiza 'vink', naar het roze in de vleugel. obsoleta is Latijn voor 'onopvallend, verbleekt', naar het effen zandbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Boechara in Oezbekistan.



