Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Alpenheggenmus
Alpenheggenmus | Prunella collaris
Alpine accentor | Acentor alpino
Wie in de Alpen, de Pyreneeën of de Sierra Nevada boven de boomgrens zijn brood zit te eten, krijgt vaak gezelschap: een forse, grijsbruine vogel met een oranje flank en een gele snavelbasis komt tussen de stenen aan lopen en pikt de kruimels weg. De alpenheggenmus is een van de weinige zangvogels die het hele jaar op grote hoogte kan blijven, en op de toppen van Zuid-Europa is hij vertrouwder dan welke tuinvogel ook.
Geluid
De zang is een vrij lange, rollende en welluidende strofe van heldere, rinkelende tonen, sneller en muzikaler dan het gehaaste liedje van de heggenmus en met iets leeuwerikachtigs erin; hij wordt gezongen vanaf een rotsblok of in een korte zangvlucht waarbij de vogel met stijve, trillende vleugels opstijgt en zwevend weer daalt. De roep is een kort, rollend tsjirrp of een wat nasaal drüü, dat in de wind over het steenveld blijft hangen; bij onrust een fijne triller.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een derde groter dan de heggenmus en veel forser: zware kop, korte staart, brede vleugels, meer een kleine lijster dan een mus van postuur. Kop, keel en bovenborst zijn grijs, de rug is grijsbruin met donkere strepen, en over de flanken en de zijborst lopen brede, roestbruine strepen die van een afstand als een warm oranje veld ogen. Twee kenmerken maken de determinatie rond. Het eerste zit op de keel: die is wit met een fijne, dichte zwarte spikkeling, een klein geblokt dasje dat geen andere heggenmus draagt. Het tweede is de snavel: dun en spits als bij alle heggenmussen, donker aan de punt, maar met een helder geel wortelstuk aan de ondersnavel dat van dichtbij oplicht. Verder staan er op de gevouwen vleugel twee rijen witte veertoppen als een dubbele rij stippen, en de buitenste staartveren hebben witte punten. Het oog is donkerbruin, de poten zijn oranjerood. Geslachten gelijk; jonge vogels zijn valer, met een minder scherp gespikkelde keel en dofferere flanken. Loopt met snelle, verende passen over rots en kort gras en vliegt kort en laag van steenblok naar steenblok.
Verwarringssoorten
De heggenmus is de enige echte verwarringssoort en het verschil is groot zodra je erop let: die is een derde kleiner en veel slanker, heeft een effen leigrijze keel zonder spikkels, geen roestbruine flankvelden, geen witte stippen op de vleugel en een geheel donkere snavel. Op afstand kan de alpenheggenmus tussen het puin op een rotsmus lijken, maar die heeft een zware hoornkleurige kegelsnavel om zaden te kraken, een brede lichte wenkbrauwstreep en een gele vlek op de keel. Waterpieper en veldleeuwerik lopen in hetzelfde terrein maar zijn slanker en langpotiger, gestreept van onder en zonder grijze kop of geblokte keel. De vuistregel voor de hele familie geldt ook hier: een fijne, spitse insectensnavel scheidt elke heggenmus van elke mus, gors of vink in het hooggebergte.
Leefgebied
Open, rotsig terrein boven de boomgrens: puinhellingen en steenvelden, rotswanden met richels en spleten, en alpiene graslanden waar korte zode en kaal gesteente elkaar afwisselen. In de Alpen en de Pyreneeën meestal tussen 1800 en 3000 meter, plaatselijk hoger, in het Middellandse Zeegebied ook lager op kale kalkmassieven. Foerageert lopend tussen de stenen, langs sneeuwranden en op kort begraasde matten: in de zomer op insecten en spinnen, in de winter grotendeels op zaden. Buiten de broedtijd op lagere richels, in kloven, op oude burchtmuren, bij bergdorpen en skistations, en in Griekenland en Turkije ook op zeekliffen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een verspreiding van gebergte naar gebergte. In het gebied van deze gids broedt hij in de Cantabrische bergen, de Pyreneeën, het Iberisch Randgebergte en de Sierra Nevada, in de Hoge Atlas van Marokko, op Corsica en Sicilië, in de Alpen en de Apennijnen, in de Karpaten en door de hele Balkan tot in Griekenland en op Kreta, en verder over heel Turkije en in de Kaukasus. Het is een standvogel met een verticale trek: in de winter zakken de vogels enkele honderden meters, soms tot in de dalen, maar het gebergte verlaten ze zelden. Naar de laaglanden van Noordwest-Europa dwaalt hij hoogst zelden af; Nederland heeft een handvol gevallen, telkens van een vogel die kort op een dijk, een duin of een dak bleef hangen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De makkelijkste plek is het bovenstation van een kabelbaan. Alpenheggenmussen leren snel dat bij bergstations, hutten en parkeerplaatsen op hoogte wat te halen valt, en lopen daar in juli en augustus met hun jongen tot op enkele meters rond de picknicktafels. Zoek verder vroeg in de ochtend langs de bovenste haarspeldbochten van een bergpas: één vogel op een paaltje met een rollende zangstrofe verraadt de rest. Tel daarbij de vogels, want het zijn er zelden precies twee — de soort leeft in groepjes van drie of vier mannetjes en evenzoveel vrouwtjes die één terrein delen, en juist daardoor zie je bij de nestplaats voortdurend achtervolgingen en het typische trillen met opgeheven vleugel. In de winter verandert de zoektocht van karakter: dan staan ze op zonnige rotswanden lager in het dal, op kasteelmuren en, langs de Middellandse Zee, op zeekliffen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een grote populatie die dun verspreid over tienduizenden vierkante kilometers hooggebergte zit en over Europa als stabiel wordt beoordeeld. De soort ontloopt de meeste problemen van laaglandvogels, maar niet het omhoog schuiven van de vegetatiegordels: waar struweel en gesloten grasmat hoger komen, krimpt het open steenveld waarvan hij het moet hebben. Uitbreiding van skigebieden en het egaliseren van pistes kosten plaatselijk broedplaatsen, terwijl een skistation in de winter juist voedsel oplevert. De kleinste en meest geïsoleerde populaties zitten aan de zuidrand van het areaal: Sierra Nevada, de Hoge Atlas, Kreta en Cyprus.
Wetenschappelijke naam
Prunella collaris (Scopoli, 1769)
Scopoli beschreef de soort in 1769 als Sturnus collaris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Prunella is een verkleinvorm van het Laatlatijnse brunus 'bruin', gevormd naar het Duitse Braunelle, de naam voor de heggenmussen. collaris is Latijn voor 'met een halsband', van collum 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Karinthië in Oostenrijk.



