Alle soortenZangvogelsPrachtvinken › Tijgervink

Tijgervink | Amandava amandava

Red avadavat | Bengalí rojo

Twee keer per jaar is dit een andere vogel. In de zomer is het mannetje karmijnrood van kop tot stuit, met over vleugels en flanken een strooisel van kleine witte stippen — vandaar de naam tijgervink. In de winter zit er een grijsbruin, musachtig vogeltje op dezelfde rietstengel, en alleen de rode stuit en de rode snavel verraden dan nog om wie het gaat. De tijgervink komt uit tropisch Azië; het Iberische en Italiaanse voorkomen gaat terug op ontsnapte kooivogels, en van de zes is dit de soort met de grootste vrijlevende aantallen in Spanje.

Tijgervink (Amandava amandava)
Foto: Shino jacob koottanad — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een enkel, hoog en dun psiep, vaak in de vlucht gegeven en op enige afstand het eerste teken dat er een troepje in het riet zit. Bij het foerageren klinkt daarnaast een zacht, laag getjilp. De zang van het mannetje is een reeks van vijf tot acht lage, aarzelende, licht schetterende noten, die trager en zwaarder klinkt dan het gepiep van de astrilden en die hij vanaf een rietpluim of een draad herhaalt, met opgezette rode borstveren en een licht wiegend lijf.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Negen tot tien centimeter, klein en gedrongen, met een korte, aan het eind afgeronde staart die vrijwel zwart is. De snavel is dik en kegelvormig en in alle kleden koraalrood. Het mannetje in broedkleed is diep karmijn tot bloedrood op kop, borst, flanken en stuit, met een zwarte teugel rond het oog, donkere vleugels en een zwartachtige buik; over de vleugeldekveren en de flanken staan tientallen kleine, ronde witte stippen als spatten verf. Buiten de broedtijd is datzelfde mannetje grijsbruin van boven en licht beige van onderen, met een zwarte oogstreep, een handvol witte stippen op de vleugeldekveren en — dit is het houvast — een helderrode stuit en bovenstaartdekveren boven een korte zwarte staart. Het vrouwtje ziet er het hele jaar zo uit. Jonge vogels zijn effen vaalbruin, met een donkere snavel en zonder witte stippen.

Verwarrings­soorten

Een mannetje in vol broedkleed is met niets in Europa te verwarren. Het winterkleed is het echte probleem. Van het sint-helenafazantje scheidt het zich door het ontbreken van de fijne dwarsbandering, door de witte stippen op de vleugel en door de korte, ronde staart tegenover de lange, spitse van dat vogeltje; ook loopt bij het sint-helenafazantje de rode streep dóór het oog, terwijl de tijgervink daar juist een zwarte teugelvlek heeft. De oranjewangastrild heeft eveneens een rode stuit, maar daarbij een oranje wang en geen stippen. De zwartstaartastrild heeft een zwarte stuit — precies het omgekeerde. Een vrouwtje van de dominicanerwida is groter, gestreept op de kruin en heeft een lange, gewone staart. En van een jonge huismus scheidt de rode snavel hem in één oogopslag.

Leefgebied

Nat, dicht begroeid cultuur- en moerasland: rietkragen en zeggenvelden langs rivieren en lagunes, rijstvelden, suikerriet, natte weilanden, oevers van irrigatiekanalen en de ruige randen van akkers. Sterker aan riet en water gebonden dan de andere vijf. Foerageert in troepjes van tien tot honderd op graszaad, rijst en gemorst graan, klimmend langs de halm en op de grond eronder; in de broedtijd worden kleine insecten meegenomen. Het nest is een bal van grashalmen met een zijingang, laag in riet of dicht gras. De grootste troepen vormen zich buiten de broedtijd, wanneer de vogels gezamenlijk in het riet slapen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van huis uit een vogel van tropisch Azië, van Pakistan en India door Zuidoost-Azië tot Indonesië. In Europa is Spanje het zwaartepunt: hij broedt er sinds de jaren zeventig en de landelijke schatting komt op ongeveer zesduizend vogels, met de grootste concentratie in de Guadianavallei, waar in twee nabijgelegen slaapplaatsen meer dan veertienhonderd vogels zijn geteld. Verder zit hij in de Guadalquivir bij Sevilla, aan de Guadalfeo bij Granada, aan de Guadalhorce en de Vélez bij Málaga, in de moerassen van Taag en Jarama bij Madrid, in Extremadura en in Catalonië, met recente vestigingen op Tenerife en aan de kust van Galicië. Ook in Portugal en in de rijstvelden van Noord-Italië komen vrijlevende groepen voor.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga van juni tot september naar de rietranden en rijstvelden van de Guadiana of de Guadalquivir en zoek in de vroege ochtend de toppen van het riet af: een mannetje in broedkleed is een rood punt op een grijsgroene achtergrond en op grote afstand te zien. Ga vervolgens zitten en wacht, want de troepen komen in golven binnen. In de winter is het een heel andere oefening: dan zoek je op het geluid, het hoge psiep, en let je bij het opvliegen op de rode stuit boven de korte zwarte staart. Slaapplaatsen in het riet zijn in de schemering het makkelijkst te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), al neemt de soort in delen van Zuidoost-Azië af door de vangst voor de vogelhandel — hij is een van de klassieke kooivogels van de Aziatische vogelmarkt. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels, en om de talrijkste van de zes: Spanje telt zo'n zesduizend vrijlevende vogels en het bestand breidt zich nog uit, al schommelt het sterk. Strenge winters slaan er diepe gaten in, en dat is waarschijnlijk de rem die de soort in Iberië op zijn plaats houdt. Aangetoonde schade is er niet; de zorg richt zich op mogelijke concurrentie met inheemse zaadeters in het riet als de aantallen blijven stijgen. Anders dan de drie Estrilda-soorten staat de tijgervink niet op de Spaanse lijst van invasieve uitheemse soorten, maar hij wordt er wel als exoot gevolgd.

Wetenschappelijke naam

Amandava amandava (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla amandava; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amandava werd in 1836 ingevoerd door Blyth. Amandava gaat terug op Ahmedabad in Gujarat, de Indiase stad van waaruit deze vogels als kooivogel werden verhandeld. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calcutta in India.