Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Zwartstaartastrild
Zwartstaartastrild | Estrilda troglodytes
Black-rumped waxbill | Estrilda culinegra
Een bleke, kleine prachtvink met een koraalrode snavel, een dun rood streepje door het oog en een pikzwarte stuit en staart die pas bij het opvliegen goed te zien zijn. De zwartstaartastrild hoort thuis in de Sahelgordel, van Senegal tot Ethiopië. In Iberië gaat hij terug op ontsnapte kooivogels, maar anders dan zijn naaste verwanten komt hij hier niet van de grond: hij duikt op, broedt soms, en verdwijnt weer.
Geluid
Een hoog, dun tsit of tsjie, minder nasaal en minder knerpend dan de roep van het sint-helenafazantje, en meestal in de vlucht gegeven. De zang is een kort, ijl en wat aarzelend deuntje van enkele piepende noten met een langgerekte, licht dalende slotnoot, uitgestoten vanaf een lage struik of een grasstengel. Zachter dan alle andere prachtvinken hier en op een paar tientallen meters al niet meer te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Met negen tot tien centimeter het kleinste vogeltje van deze groep, en ook het bleekste. De bovendelen zijn licht grijsbruin met een uiterst fijne bandering, die op afstand wegvalt; de onderzijde is effen roomwit met een zachtroze waas over borst en buik en zonder enige tekening. Door het oog loopt een smalle, scherp begrensde rode streep, korter en dunner dan bij het sint-helenafazantje. De snavel is koraalrood met een donkere rug. Doorslaggevend zijn achterlijf en staart: de stuit is zwart, de staart eveneens, terwijl de onderstaartdekveren juist wit tot vuilwit blijven — een zwart-witcontrast dat bij het opvliegen meteen opvalt. Jonge vogels zijn nog bleker, missen het roze en hebben een zwarte snavel.
Verwarringssoorten
Het sint-helenafazantje is groter, veel donkerder en over de hele onderzijde fijn dwarsgestreept, heeft een rode vlek midden op de buik, een grijsbruine stuit en zwarte onderstaartdekveren. De verhouding is dus precies omgekeerd: bij de zwartstaartastrild is de stuit zwart en de onderstaart wit, bij het sint-helenafazantje de stuit bruin en de onderstaart zwart. De oranjewangastrild is even klein maar heeft geen oogstreep, wel een oranje wangvlek, en een oranjerode stuit. Bij de tijgervink in winterkleed zijn de vleugeldekveren met witte stippen bezet en is de staart kort en rond; hier is de staart lang en spits. Kooivogels van andere soorten die uit een volière ontsnappen kunnen erop lijken, maar de combinatie van rode snavel, roomwitte onderzijde zonder tekening en zwarte stuit is in Europa uniek.
Leefgebied
Open, grazige terreinen met struiken en pollen hoog gras: ruige oevers en dijkjes, rietranden, braakland, akkerranden en de bermen van irrigatiekanalen. Minder aan water gebonden dan het sint-helenafazantje en de tijgervink en vaker op droge, kruidenrijke plekken te vinden. Foerageert op de grond en aan de pluim op fijn graszaad, in troepjes van vijf tot twintig, vaak gemengd met andere kleine zaadeters. Het nest is een bal van grashalmen laag in een graspol of een lage struik, met een zijingang.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van huis uit een vogel van de brede grasgordel ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Mauritanië door Mali, Niger, Tsjaad en Soedan tot Ethiopië. In Europa is hij vastgesteld in Zuid-Spanje en Portugal, met waarnemingen uit Andalusië, Extremadura, Valencia en de omgeving van Barcelona, en verder op de Canarische Eilanden. Nergens vormt hij grote of stabiele bestanden. Buiten Europa is hij wel ingeburgerd geraakt, onder meer in Japan, Puerto Rico en op enkele eilanden van de Kleine Antillen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoeken heeft alleen zin waar het sint-helenafazantje al zit, want de zwartstaartastrild trekt daarin mee. Loop in Andalusië of Extremadura de randen van irrigatiekanalen en rijstvelden af en neem de tijd om een troepje één voor één door te kijken: het gaat om één bleke, effen vogel tussen tientallen gestreepte. Het beste moment is als de troep opvliegt — dan draait de zwarte stuit even naar je toe. Reken op teleurstelling; dit is de schaarste soort van de zes en veel vogels zijn niet meer dan een pas ontsnapte volièrevogel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in de Sahel algemeen. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels, en om het zwakste geval van de zes. In de Spaanse inventarisatie van uitheemse vogels wordt hij aangemerkt als een soort die zich vestigt maar zich niet uitbreidt; een deel van de waarnemingen betreft vermoedelijk losse ontsnapte vogels in plaats van vrijlevende broedvogels. Bij het grote ringonderzoek in de benedenloop van de Guadalquivir werden er zó weinig gevangen dat er geen enkele schatting van overleving uit te halen viel. Spanje heeft het hele geslacht Estrilda op de nationale lijst van invasieve uitheemse soorten gezet, waarmee handel en bezit aan regels zijn gebonden. Schade is nergens aangetoond.
Wetenschappelijke naam
Estrilda troglodytes (Lichtenstein, 1823)
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als F[ringilla] troglodytes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan deze vogel gaf. troglodytes is Grieks trōglodytēs 'holbewoner', van trōglē 'hol' en dyein 'binnengaan'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegambië.



