Alle soortenZangvogelsPrachtvinken › Sint-helenafazantje

Sint-helenafazantje | Estrilda astrild

Common waxbill | Estrilda común

Langs vrijwel elke Portugese rivier zitten ze in de rietkragen: vogeltjes ter grootte van een winterkoning, grijsbruin en van boven tot onder fijn dwarsgestreept, met een snavel die eruitziet als een druppel rode zegellak. Ze vallen in dichte troepjes van halm op halm en tsjilpen daarbij onophoudelijk nasaal door elkaar. Het sint-helenafazantje hoort van huis uit in Afrika ten zuiden van de Sahara; het Europese voorkomen gaat terug op ontsnapte kooivogels. Van de zes verwilderde prachtvinken van Iberië staat hij verreweg het stevigst.

Sint-helenafazantje (Estrilda astrild)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Twee geluiden verraden de soort. Het eerste is een kort, nasaal en licht knerpend tsjek, dat de vogels in de vlucht en tussen de halmen voortdurend heen en weer sturen; in een troepje van dertig klinkt dat als een zacht, onregelmatig geknetter. Het tweede is de zang: een krassend tsjer-tsjer-priii, waarbij de laatste noot omhoog trekt en scherp uithaalt, uitgestoten vanaf een rietpluim of een draad. Jaarrond te horen; het krassende zangetje het meest van april tot augustus.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein, slank vogeltje van tien tot dertien centimeter, waarvan de lange, trapsgewijs versmalde staart bijna de helft inneemt. Het hele verenkleed is grijsbruin en zeer fijn dwarsgebandeerd, tot op de borst en de flanken toe; van dichtbij lijkt de vogel gemoireerd. De korte, driehoekige snavel is helder koraalrood, en daar loopt een brede rode streep vanaf tot achter het oog — een rood masker over een verder onopvallende kop, met witte keel en witte wangen eronder. Midden op de buik zit een rode vlek, bij het mannetje groter en dieper van kleur dan bij het vrouwtje. De onderstaartdekveren zijn zwartbruin, de stuit grijsbruin als de rug. De staart wordt bij het hippen voortdurend op en neer bewogen. Jonge vogels zijn doffer, hebben een veel vagere bandering, een zwarte snavel en nauwelijks rood op de buik.

Verwarrings­soorten

De zwartstaartastrild is de lastigste: kleiner, bleker en van onderen effen roomwit met een roze waas, zonder de bandering en zonder de rode buikvlek, met een zwarte stuit en witachtige onderstaartdekveren — bij het sint-helenafazantje is de stuit juist grijsbruin en de onderstaartdekveren zwart. De oranjewangastrild heeft geen oogstreep maar een fel oranje wangvlek en een oranjerode stuit. De tijgervink in winterkleed lijkt er van een afstand op, maar mist de bandering, heeft witte stippen op de vleugeldekveren, een rode stuit en een korte, ronde zwarte staart. Het vrouwtje van de dominicanerwida heeft een gestreepte kruin en een effen, ongebandeerde onderzijde. De muskaatvink is groter en zwaarder gebouwd en heeft een donkere, hoornkleurige snavel in plaats van een rode.

Leefgebied

Rietkragen, zeggenvelden en ruige oevers langs rivieren, kanalen, sloten en lagunes, met daarnaast akkerranden, rijstvelden, braakland, hoog gras langs wegbermen en tuinen en parken aan de rand van bebouwing. Foerageert vrijwel uitsluitend op graszaad, dat hij van de pluim afhaalt door tegen de halm op te klimmen of hem met het gewicht van zijn lijf omlaag te buigen; in de broedtijd komen er kleine insecten bij. Het nest is een grote bal van dooreengevlochten grashalmen, laag in dichte vegetatie, met een lange, schuin naar beneden wijzende toegangspijp opzij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van huis uit een vogel van vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara. In Europa is Portugal het bolwerk: vanaf de jaren zestig gevestigd rond Lissabon en inmiddels langs vrijwel alle rivieren van het land, van de Minho tot de Algarve, plaatselijk een van de talrijkste vogeltjes van de natte laagvlakte. In Spanje verloopt de uitbreiding snel; de laatste landelijke schatting komt op 2800 tot 12.000 broedparen, met broedgevallen in eenentwintig provincies — Andalusië, Extremadura, zuidwestelijk Galicië, Valencia, Murcia, Catalonië, Madrid, Mallorca en Ibiza, en op Tenerife en Gran Canaria. Verspreide vogels ook in zuidelijk Frankrijk en Italië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend een rietkraag af langs de Taag, de Ria de Aveiro of de benedenloop van de Guadalquivir en let op geluid: het nasale tsjek gaat aan de vogels vooraf. Ze zitten zelden stil en verplaatsen zich in golfjes van tien tot dertig door de vegetatie; blijf staan en laat de troep naar je toe komen. Kijk in de winter ook op braakliggende akkers en langs rijstvelden, waar tientallen tegelijk op de grond foerageren. De grote grasnesten met de pijp opzij hangen laag en zijn na de rietsnede goed te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Afrika algemeen. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels, en om de best gevestigde van de zes verwilderde prachtvinken: in Portugal is hij een gewone broedvogel, in Spanje breidt hij zich krachtig uit. Spanje heeft het hele geslacht Estrilda in de nationale lijst van invasieve uitheemse soorten opgenomen, wat handel en bezit aan regels bindt; op de Unielijst staat de soort niet. Aangetoonde schade is er weinig. Er wordt gewezen op vraat in rijst en graan en op mogelijke concurrentie met inheemse zaadeters in het riet, maar overtuigend bewijs voor verdringing ontbreekt; een poging om in de benedenloop van de Guadalquivir de overleving van de soort te meten strandde doordat de gekleurringde vogels vrijwel nooit werden teruggevangen. Wel is hij in Iberië de belangrijkste gastheer van de dominicanerwida, en die vogel kan hier alleen bestaan zolang het sint-helenafazantje er zit.

Wetenschappelijke naam

Estrilda astrild (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia astrild; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan deze vogel gaf. astrild is van onzekere herkomst: mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersnaam voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapstad.