Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Oranjewangastrild
Oranjewangastrild | Estrilda melpoda
Orange-cheeked waxbill | Estrilda carinaranja
Van alle kleine prachtvinken van Iberië is dit de enige die je op kleur alleen al kunt thuisbrengen: een grijsbruin vogeltje met een vlammend oranje wangvlek, alsof er met een duim wat verf op de kop is gezet. De oranjewangastrild komt uit West- en Midden-Afrika en gaat in Europa terug op ontsnapte kooivogels. Hij zit vooral in Portugal en in het uiterste zuiden van Spanje, in kleine troepjes langs moerasranden en irrigatiegreppels.
Geluid
Een helder, opgaand tsjiep of tsjie-oe, hoger en zuiverder dan het nasale geknerp van het sint-helenafazantje, dat de vogels in het foerageren aan één stuk door herhalen. De zang is een kort, ijl rijgje van drie tot vijf piepende noten, aflopend en zonder krassende slotnoot. In een troepje overheerst het contactroepje; wie het eenmaal kent, herkent de soort in een gemengde groep aan het geluid nog voor hij de wang ziet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Tien centimeter, gedrongener en korter gestaart dan het sint-helenafazantje. Kop en nek zijn licht asgrijs, rug en vleugels dof olijfbruin, de onderzijde vuilwit met een zandkleurige tot licht oranje waas over de flanken en de buik. Het kenmerk zit op de kop: een scherp begrensde, helder oranje vlek die het oor en het gebied onder en achter het oog beslaat, zonder rode oogstreep. De snavel is koraalrood, korter en dikker dan bij de andere astrilden. De stuit en de bovenstaartdekveren zijn oranjerood tot roestrood en lichten bij het opvliegen op tegen de zwarte staart. De onderzijde is nergens gebandeerd. Jonge vogels hebben een fletsere, meer okerkleurige wang en een zwarte snavel.
Verwarringssoorten
Het sint-helenafazantje heeft een rode oogstreep in plaats van een oranje wang, is over de hele onderzijde fijn dwarsgestreept en heeft een rode buikvlek. De zwartstaartastrild heeft eveneens een rood oogstreepje, is bleker en effen wit van onderen en heeft een zwarte in plaats van een oranjerode stuit. De tijgervink in winterkleed heeft een rode stuit die op die van de oranjewangastrild lijkt, maar draagt witte stippen op de vleugel, mist de oranje wang en heeft een korte, ronde staart. Kortom: geen oogstreep maar een wangvlek, geen bandering, en een oranjerode stuit boven een zwarte staart — dat samen is genoeg.
Leefgebied
Grazige, open terreinen met verspreide struiken en pollen hoog gras, in Europa vooral vlak bij water: moerasranden, rietkragen, oevers van lagunes en rivierarmen, greppels en dijkjes langs irrigatiegebieden, akkerranden en rijstvelden. Foerageert acrobatisch aan de zaadpluim zelf, hangend en klauterend, en verder op de grond onder de halmen; in de broedtijd komen kleine insecten als termieten en muggen erbij. Het nest is een dichte bal van grashalmen laag in een graspol of vlak boven de grond, met een zijingang.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van huis uit een vogel van West- en Midden-Afrika, van Senegal en Gambia oostwaarts tot in Congo en Zambia. In Europa ligt de kern in Portugal, langs de benedenloop van de Taag en de Sado en verder verspreid langs de westkust. In Spanje gaat het om kleinere kernen in Andalusië — Sevilla, Cádiz en Málaga — met daarnaast losse groepjes in Galicië, Castellón, Vizcaya en op de Canarische Eilanden. De Spaanse inventarisatie noemt de soort dicht bij vestiging, maar met te weinig gegevens om van een echte uitbreiding te spreken. Buiten Europa is hij verwilderd geraakt op Puerto Rico, in Singapore en in Zuid-Californië.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het zuiden van Portugal of in de Guadalquivirdelta naar plekken waar hoog gras en riet aan elkaar grenzen en waar al sint-helenafazantjes zitten. Ga zitten en wacht tot een troep binnenkomt; de oranjewangastrild zit er meestal met twee of drie tussen. Let eerst op geluid — het heldere, opgaande roepje valt op tussen het nasale geknerp — en zoek dan de kop. Bij vlak strijklicht in de ochtend brandt de wangvlek zo fel dat de vogel op vijftig meter al te benoemen is. Kijk ook bij het opvliegen naar de roestrode stuit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Afrika algemeen, met een verspreidingsgebied van enkele miljoenen vierkante kilometers. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels. Het Portugese bestand is klein maar houdt zich al decennia; in Spanje wordt de soort gerekend tot de vogels die op het punt van vestiging staan, waarbij de gegevens tekortschieten om te zeggen of het aantal groeit. Spanje heeft het hele geslacht Estrilda op de nationale lijst van invasieve uitheemse soorten gezet, waarmee handel en bezit aan regels zijn gebonden. Schade aan inheemse vogels of gewassen is niet vastgesteld; de zorg is vooral dat de drie verwilderde Estrilda-soorten samen de rietvegetaties van Zuid-Iberië gaan domineren.
Wetenschappelijke naam
Estrilda melpoda (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla melpoda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan deze vogel gaf. melpoda is Grieks en wordt in verband gebracht met melpō 'zingen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.



