Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Appelvink

Appelvink | Coccothraustes coccothraustes

Hawfinch | Picogordo común

De appelvink draagt de zwaarste snavel van alle Europese zangvogels: een grijsblauwe kegel waarmee hij een kersenpit kraakt die een mens met de hand niet kapot krijgt. Het is tegelijk een schuwe boomtopvogel, die je vaker hoort overvliegen dan ziet zitten.

Appelvink (Coccothraustes coccothraustes)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, kort en metaalachtig tsiks of tik, dat op het tikken van een roodborst lijkt maar harder en droger klinkt; dit is het geluid waarmee je hem boven het bos oppikt. De zang is onopvallend: een aarzelende reeks van diezelfde tikken met een paar dunne fluittonen ertussen, van maart tot mei.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Grote, kortstaartige vink met een zware kop en een enorme kegelsnavel, in de zomer staalblauw en in de winter hoornkleurig. Oranjebruine kop, grijze nekband, donkerbruine mantel en lichtroze onderdelen, met een zwarte keelvlek en een zwarte teugel. De vleugel is zwartblauw met een brede witte band, en de handpennen dragen een merkwaardige knik: de punten zijn afgeplat en omgebogen. De korte staart heeft een brede witte eindband. Het vrouwtje is bleker en toont grijs op de armpennen.

Verwarrings­soorten

Geen andere Europese zangvogel combineert deze snavel met een witte vleugelband en een witte staartpunt. In vlucht wordt hij nog wel eens voor een spreeuw aangezien: let dan op de korte staart met witte punt, de brede witte vleugelvlek en de zware, naar voren hangende kop. Zittend is de verhouding beslissend — kop en snavel maken bijna een derde van de vogel uit.

Leefgebied

Oud loofbos met haagbeuk, boskers, iep, esdoorn en beuk, en verder parken, landgoederen, oude begraafplaatsen en boomgaarden. Foerageert hoog in de kruinen en in het vroege voorjaar op de grond onder de bomen, waar de pitten van het vorige jaar liggen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Verspreid over vrijwel heel Europa, van Zuid-Scandinavië tot de Middellandse Zee, en verder in Turkije en de Kaukasus. In Nederland en België een schaarse maar toenemende broedvogel van oude landgoedbossen op de zandgronden. In de winter trekken noordelijke en oostelijke vogels weg en duiken kleine groepjes op onverwachte plaatsen op.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in maart of april vroeg naar een oud haagbeuken- of kersenbos en blijf op één plek staan luisteren naar het scherpe tik boven je hoofd. Beter nog is een plek waar het vorige najaar veel kersen of haagbeukvruchtjes zijn gevallen: in februari en maart foerageren de vogels daar op de grond en zijn ze eindelijk goed te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Noordwest-Europa is de soort in de laatste decennia toegenomen doordat bossen ouder worden en er veel haagbeuk is aangeplant. In Groot-Brittannië is de bevolking juist sterk gekrompen, om redenen die niet goed begrepen zijn.

Wetenschappelijke naam

Coccothraustes coccothraustes (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia coccothraustes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccothraustes werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Coccothraustes is Grieks, van kokkos 'pit, zaad' en thrauo 'breken', naar de zware snavel die pitten kraakt. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.