Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Canarische vink
Canarische vink | Fringilla canariensis
Canary Islands chaffinch | Pinzón de Canarias
Op de Canarische Eilanden heet hij tintillón, en hij is er de gewoonste vogel van het dennenbos, het laurierbos en de hotelparkeerplaats. Hij wordt sinds 2021 als aparte soort behandeld, op grond van genetisch onderzoek, metingen en de zang. Het is bovendien de eilandvink die het minst op de vink lijkt: de blauwgrijze kleur loopt hier over kop én rug door, zodat de bovenzijde van de vogel bijna van één stuk is.
Geluid
De zang is een korte, harde, ratelende strofe van ongeveer een seconde die versnelt en abrupt eindigt — de vinkenslag, maar zonder de zwierige uithaal aan het slot, en per eiland net iets anders van klank. Hij klinkt van januari tot in juni, bijna altijd vanaf een vrije tak in de kruin. De roep is een luid, hard tjink, iets scherper dan bij de vink, en verder een zacht joep in de vlucht. In het dennenbos, waar het verder stil is, draagt de roep ver.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een vink zonder roestbruin. De bovenzijde van het mannetje is een diep, koel blauwgrijs, van het voorhoofd over de kruin en de nek tot over de mantel en de stuit; alleen op de schouderveren en langs de vleugelranden zit een olijfgroene of geelgroene zweem. Het gezicht en de borst zijn warm oranjeroze, veel bleker en zachter dan het baksteenroze van de vink, en de buik en onderstaart zijn wit. De vleugel is zwart met een witte schouderband en een tweede, opvallend smalle witte streep, plus geelgroene randen aan de slag- en armpennen; buitenste staartpennen wit. Het vrouwtje is dofbruin met een grijze waas op kop en rug en dezelfde vleugeltekening. Per eiland verschilt de tint: op La Palma en El Hierro donkerder en grijzer, op Gran Canaria bleker.
Verwarringssoorten
Naast de vink beslissen twee dingen: de bovenzijde is hier blauwgrijs in plaats van roestbruin met een blauwe kop, en de witte vleugelstreep is duidelijk smaller, zodat de vleugel donkerder oogt. Het roze op de borst is bovendien veel minder uitgesproken. De vink zelf is op de eilanden een zeldzame wintergast, dus het probleem is klein. Belangrijker is de blauwe vink op Tenerife en de Gran-Canarische blauwe vink op Gran Canaria: die zijn een stuk groter en forser, hebben een veel zwaardere snavel, missen alle roze en oranje, en zijn ook op de onderdelen blauwgrijs of vuilwit. Zit de vogel in het dennenbos boven de duizend meter en is de borst kleurloos, kijk dan twee keer. De kanarie, die dezelfde tuinen deelt, is groengrijs met streping en heeft geen witte vleugelstrepen.
Leefgebied
Het Canarische dennenbos is zijn kerngebied, maar hij zit vrijwel overal waar bomen staan: laurierbos en boomheidebos in het noorden, kastanjegaarden, aanplant, barranco's met wilg en tamarisk, dorps- en hoteltuinen, parken, boomgaarden en bananenpercelen. Hij gaat van de kust tot in de brem- en bezemstruwelen boven de tweeduizend meter. Foerageert vooral op de grond, op paden, parkeerplaatsen en tussen dennennaalden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De vijf westelijke Canarische Eilanden: El Hierro, La Palma, La Gomera, Tenerife en Gran Canaria, met op elk daarvan een eigen vorm. Op Lanzarote en Fuerteventura ontbreekt hij; die droge oostelijke eilanden hebben het bos niet dat hij nodig heeft. Hij trekt niet en steekt tussen de eilanden nauwelijks over. Buiten de archipel komt hij niet voor.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Elke picknickplaats in de Corona Forestal op Tenerife of in het park van Garajonay op La Gomera levert hem binnen vijf minuten, meestal wandelend over het asfalt. Let dan op de rug: blijft het blauwgrijs van de kruin gewoon doorlopen tot in de stuit, dan is het deze soort. Zit je in het dennenbos hoog op Tenerife en lijkt de vogel te groot en te kleurloos, ga dan niet te snel voorbij: dat kan de blauwe vink zijn.
Staat van instandhouding
De categorie hierboven is die van de gewone vink. BirdLife, dat de vogels voor de Rode Lijst beoordeelt, houdt deze vink nog bij die soort en beoordeelt hem dus niet apart; de gids toont daarom de categorie van de ruimere soort in plaats van “niet beoordeeld”, want beoordeeld is hij wel — alleen onder een ruimer soortbegrip. Feitelijk is hij op alle vijf de eilanden algemeen tot zeer algemeen, met een stabiele stand. Hij profiteert van de herbebossing met Canarische den en redt zich moeiteloos in tuinen en aanplant. De grootste zorg is de vuurgevoeligheid van de grote dennenbossen, die na een brand voor een paar jaar veel minder vogels dragen.
Wetenschappelijke naam
Fringilla canariensis Vieillot, 1817
Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. canariensis is Latijn voor 'van de Canarische Eilanden', waar de vogel voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tenerife.




