Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Roodmus
Roodmus | Carpodacus erythrinus
Common rosefinch | Camachuelo carminoso
De roodmus is de vink die al decennialang westwaarts opschuift: van de Baltische staten naar Polen, Duitsland en verder, en sinds de jaren tachtig ook in Nederland. Alleen het oude mannetje is werkelijk rood; verreweg de meeste vogels die je te zien krijgt zijn grijsbruin en onopvallend, en dat maakt hem tot een soort die je eerder aan de zang herkent dan aan de kleur.
Geluid
De zang is het handelsmerk: een helder, licht weemoedig fluitzinnetje van vier of vijf tonen dat op en neer glijdt, in Nederland vaak weergegeven als wie ziet je? — ik zie je. Hij wordt eindeloos herhaald vanaf een vrije tak of een draad, van eind mei tot in juli. De roep is een kort, oplopend en wat nasaal oe-iet, dat je in de struiken hoort voordat je de vogel ziet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een gedrongen vink met een groot hoofd, een korte staart en een opvallend dikke, stompe snavel. Het gezicht is vlak en volkomen tekeningloos: geen wenkbrauwstreep, geen oogstreep, geen wangvlek, alleen een groot donker oog dat daardoor als een kraal op een leeg gezicht staat. Het mannetje van drie jaar en ouder heeft een karmijnrode kop, borst en stuit, met een bruine rug en twee smalle lichte vleugelstrepen. Vrouwtjes, jonge vogels en tweedejaars mannetjes zijn grijsbruin met een vage, diffuse streping op borst en flanken en dezelfde twee vleugelstrepen; rood zit er dan niets aan.
Verwarringssoorten
Reken erop dat je een bruine vogel voor je hebt. De huismus lijkt er in vorm op, maar heeft een duidelijke koptekening met lichte wenkbrauwstreep en gestreepte rug; de kneu toont witte vleugelvlekken en witte staartranden en heeft een fijner snaveltje; de sijs is groengeel met een gele vleugelstreep. De roodmus heeft van alle drie het vlakst getekende gezicht, het grootste donkere oog en de dikste, stompste snavel — die combinatie geldt in élk kleed, ook bij het rode mannetje.
Leefgebied
Vochtig, verruigd struweel: wilgen- en elzenopslag langs beken en rivieren, verwaarloosde weilanden met meidoorn en vlier, bosranden, jonge aanplant, brede struweelbermen en in het noorden ook grote parken en verwilderde tuinen. Altijd struiken met open plekken ertussen, en bij voorkeur water in de buurt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Scandinavië en de Baltische staten oostwaarts door Rusland tot in Siberië, en zuidelijker in de bergen van Turkije en de Kaukasus. Sinds de twintigste eeuw schuift de westgrens gestaag op: Polen, Duitsland, Denemarken, Nederland en België horen inmiddels tot het areaal, al gaat het hier om enkele tientallen paren per jaar. Alle vogels overwinteren in India en Zuidoost-Azië, wat verklaart waarom de soort zo laat komt en zo vroeg weer weg is.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de eerste helft van juni op pad, want daarbuiten valt er weinig te beleven: half mei is hij er nog niet en in augustus is hij al vertrokken. Loop langs een verruigde beekdal- of uiterwaardstruweel en luister; de zanger zit meestal bovenop een struik of op een draad, goed in het zicht. Verwacht geen rode vogel — bij de meeste Nederlandse gevallen gaat het om een zingend bruin tweedejaars mannetje.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De westwaartse uitbreiding heeft zich in Noordwest-Europa niet doorgezet: aan de pas veroverde westrand, Nederland en Denemarken inbegrepen, nemen de aantallen sinds de eeuwwisseling weer af, terwijl de kern in Oost-Europa en Rusland groot en stabiel blijft. Verruiging van beekdalen en het sparen van struweel zijn hier de enige knoppen waaraan te draaien valt.
Wetenschappelijke naam
Carpodacus erythrinus (Pallas, 1770)
Pallas beschreef de soort in 1770 als Loxia erythrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Carpodacus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Carpodacus is Grieks, van karpos 'vrucht' en dakno 'bijten'. erythrinus gaat terug op het Griekse eruthros 'rood', naar het karmijnrode kleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Wolga en de Samara.



