Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Bengaalse stern

Bengaalse stern | Thalasseus bengalensis

Lesser crested tern | Charrán bengalí

De bengaalse stern is de enige kuifstern met een oranje snavel die in de Middellandse Zee broedt, en dat doet ze op een paar zandeilandjes voor de kust van Libië. Van daaruit komen de vogels tot in Spanje, waar ze jaar na jaar op dezelfde zoutpannen opduiken.

Bengaalse stern (Thalasseus bengalensis)
Foto: mourad-harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schel, krassend krik of kerrik, hoger en scherper dan de roep van de grote stern en korter aangehouden. Rond de kolonie klinkt een onophoudelijk, ratelend gekras dat over het water draagt. In Spanje verraadt een bengaalse stern zich vaak zo: één afwijkende, te hoge roep uit een groep grote sterns die langs de branding trekt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een middelgrote stern, slanker en lichter dan de grote kuifstern en iets kleiner dan de grote stern. Het meest opvallende is de snavel: recht, betrekkelijk dun en helder oranje, zonder donkere punt. In broedkleed loopt de zwarte kap door tot aan de snavelbasis en eindigt achterop in een korte, ruige kuif; vanaf juni breekt het voorhoofd wit door en houdt de vogel een zwarte achterkop met witte spikkels. De mantel en de bovenvleugel zijn lichtgrijs; de stuit en de staart hebben dezelfde grijze tint als de rug, zodat de vogel van achteren geen wit blok laat zien. De poten zijn zwart, de onderdelen wit. Jonge vogels hebben een geschubde bovenzijde, een donkere vleugelband en een fletsere, meer geeloranje snavel. De Middellandse Zee-vogels horen bij de vorm emigratus, de bleekste van de soort.

Verwarrings­soorten

De grote stern is in Spanje de standaardvogel waarmee elke bengaalse stern moet worden vergeleken. Daar beslist de snavel: helder oranje over de volle lengte tegenover zwart met een gele punt. Ontsnapt de kop achter een golf, kijk dan naar de stuit — bij de bengaalse stern is die grijs en gaat vloeiend over in de rug, bij de grote stern is hij wit en steekt hij af tegen de mantel. De bengaalse stern is bovendien kleiner en compacter, met een kortere kuif en een fijnere kop. De sierlijke stern is het lastigere geval, want ook die heeft een oranje snavel: die snavel is echter langer, dunner, naar het eind hangend en geler naar de punt, de kuif is beduidend langer, en in winterkleed blijft het oog bij de sierlijke stern binnen het zwart liggen terwijl het bij de bengaalse stern in het wit komt te staan. De grote kuifstern ten slotte is groter en veel donkerder van mantel, met een gele snavel en altijd een wit voorhoofd.

Leefgebied

Lage zand- en koraaleilandjes zonder begroeiing om te broeden, en verder de ondiepe kustzee, lagunes, zoutpannen en vissershavens om te vissen en te rusten. Foerageert met stootduiken op kleine scholvis, vaak vlak buiten de branding en in de stroomranden bij riviermondingen. Buiten de broedtijd volgt de soort de kustlijn en komt ze zelden ver uit de kust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De wereldbevolking is groot en strekt zich uit van de Rode Zee en de Golf tot Zuidoost-Azië en Australië, maar in het kaartgebied gaat het om één klein, apart bolwerk: minder dan tweeduizend vijfhonderd paren op eilandjes voor de Libische kust, met de Gara-eilanden bij Benghazi als kern. Verspreide broedgevallen zijn bekend van Italië, Spanje, Griekenland en Frankrijk, meestal van een enkele vogel in een kolonie grote sterns, geregeld in een gemengd paar. In Spanje is het een jaarlijkse gast in kleine aantallen, met de zoutpannen van Santa Pola en Torrevieja, de Chafarinas-eilanden en de Straat van Gibraltar als vaste plekken; sommige vogels keren jaren achtereen naar hetzelfde stukje kust terug. De Middellandse Zee-vogels overwinteren langs de Atlantische kust van West-Afrika. In het oosten van het gebied verschijnt de soort bij Eilat en langs de Israëlische kust, met vogels uit de Rode Zee.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Spanje zijn de zoutpannen van Santa Pola en Torrevieja de beste gok: kijk daar in juli en augustus de rustende sterns na op de dijkjes, en let op de oranje snavel tussen de zwarte. Aan zee werkt het anders — daar moet je de langstrekkende groepen grote sterns aftellen en op de roep vertrouwen. Fotografeer altijd de gestrekte vleugel en de stuit, want een enkele foto van de kop overtuigt een beoordelingscommissie zelden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de Middellandse Zee-bevolking is klein en op enkele eilandjes samengedrongen, en dat maakt haar kwetsbaar. Eierrapen, verstoring door vissers, honden en ratten op de broedeilanden, en het gebruik van explosieven bij de visserij zijn de zwaarste bedreigingen; daar komen de effecten van een veranderend klimaat en het teruglopen van de kleine vis bij. De vogels vallen onder de bescherming van het Verdrag van Barcelona en het Afrikaans-Euraziatisch watervogelverdrag.

Wetenschappelijke naam

Thalasseus bengalensis (Lesson, 1831)

Lesson beschreef de soort in 1831 als Sterna bengalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Boie. Thalasseus is Grieks voor 'visser', bij thalassa 'zee'. bengalensis betekent 'van Bengalen', de streek waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van India.