Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Bosgors
Bosgors | Emberiza rustica
Rustic bunting | Escribano rústico
Een gors van het natte noordelijke naaldbos, met een kuif die hij bij elke opwinding opzet, een roestbruine borstband op sneeuwwit onderlijf en een zachte, fluitende zang die tussen de sparren blijft hangen. Van alle Europese zangvogels is dit er een van wie de aantallen het hardst zijn teruggelopen.
Geluid
De zang is zacht en welluidend, een korte, iets weemoedige fluitreeks van vier of vijf tonen die als een rustige, dalende zin klinkt — meer een roodborst of een heggenmus dan een gors, en verrassend stil voor een vogel van het open bos. De roep is een kort, hard tsjip of tsik, scherper dan die van de rietgors en zonder de daling; die roep is doorgaans het enige wat een doortrekker in West-Europa laat horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets groter dan een dwerggors en met een puntige kruin die als een kuifje omhoog kan. Het zomermannetje heeft een zwarte kop met een brede witte wenkbrauwstreep en een witte vlek achter de oorstreek, een roestbruine nek en een scherp begrensde roestbruine borstband boven een witte buik met roestbruine flankstrepen. Het vrouwtje en het winterkleed hebben hetzelfde patroon in bruin in plaats van zwart. Verder: twee witte vleugelstrepen, een roestbruine stuit, vleeskleurige poten en een tweekleurige snavel met een lichtroze ondersnavel.
Verwarringssoorten
De strepen op de flanken zijn roestbruin, niet zwart — dat is het snelste onderscheid met alle andere gorzen die hier in het najaar langskomen. De rietgors heeft een grijsbruine stuit, zwarte streping en een donkere snorstreep, en mist de kuif en de witte vlek achter de oorstreek. De dwerggors is kleiner en korter gestaart, heeft een roestbruine wang met een romige oogring en fijne zwarte strepen. Een jonge geelgors is groter en langer gestaart en houdt geel op de buik. Zit de vogel met opgezette kruin en zie je roestbruin op nek, borstband en stuit, dan is het rond.
Leefgebied
Vochtig tot drassig naaldbos: sparrenbos met veenmos en dwergstruiken, elzen- en berkenbroek langs beken en meertjes, veenranden met verspreide dennen en oude kapvlakten die weer dichtgroeien. Nodig zijn natte bodem, een dichte struiklaag om laag in te nestelen en zangposten halverwege de bomen. Op doortrek zit hij in West-Europa in duinstruweel, ruige akkerranden en tuinen langs de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In het kaartgebied broedt de bosgors in Finland — verreweg het grootste bolwerk — en verder in Noord-Zweden, Noord-Noorwegen en Noordwest-Rusland, oostwaarts tot in Siberië. De hele bevolking overwintert in Oost-Azië, van Zuid-China tot Japan, en trekt daar in september en oktober naartoe. Wat West-Europa krijgt zijn afzwaaiers: in Nederland één tot enkele vogels per jaar, bijna altijd langs de kust en op de Waddeneilanden en meestal in oktober, en veel schaarser in het voorjaar. In Spanje is hij een grote zeldzaamheid.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Wie hem in Nederland wil vinden, werkt in oktober duinstruweel en akkerranden af op de Waddeneilanden en luistert op een gorzenachtig tsik dat harder klinkt dan een rietgors. Kijk bij elke bruine gors naar twee dingen: de kleur van de flankstrepen en de vorm van de kruin. Het echte plezier ligt in Finland: loop in juni bij zonsopgang langs een drassige bosrand en zoek de zachte fluitzin, die niet ver draagt en vaak van halverwege een spar komt.
Staat van instandhouding
Gevoelig (IUCN: Near Threatened). Dat is voor een noordelijke bosvogel al opvallend, en de reden ligt niet in Europa maar op de trekweg en in het winterkwartier: de bosgors deelt de slaapplaatsen in het riet en het rijstland van Oost-Azië met de wilgengors en wordt daar met netten gevangen voor consumptie. Daar bovenop komt in Fennoscandinavië het verdwijnen van vochtig, oud naaldbos door houtwinning en ontwatering. De Finse bevolking is sinds de jaren tachtig met ruwweg vier vijfde afgenomen, en die daling was scherp genoeg om de soort van Least Concern naar een bedreigingscategorie te tillen. Van alle gorzen in deze gids is dit, na de wilgengors, de soort die er wereldwijd het slechtst voor staat.
Wetenschappelijke naam
Emberiza rustica Pallas, 1776
Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. rustica is Latijn voor 'landelijk, eenvoudig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Transbaikalië in Siberië.




