Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Dwerggors
Dwerggors | Emberiza pusilla
Little bunting | Escribano pigmeo
De kleinste gors van het kaartgebied, kleiner dan een rietgors en met een kop die van dichtbij verrassend scherp getekend is: een rossige kruinstreep tussen twee zwarte banden, een roestbruine wang en een romige oogring. Hij broedt in Lapland en staat in oktober muisstil in een akkerrand aan de kust.
Geluid
De roep doet het werk: een kort, hard en droog tik, alsof twee steentjes tegen elkaar worden getikt — scherper en korter dan alles wat een rietgors laat horen, en zonder de klaaglijke daling daarvan. De zang, in West-Europa zelden te horen, is een kort en helder strofetje van een seconde of twee dat eerder aan een roodborst dan aan een gors doet denken; in Lapland zingt het mannetje van eind juni tot half juli vanaf een berkentop of een dennenpunt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleine, compacte gors met een vrij korte staart en wit op de buitenste staartpennen. Het koppatroon beslist alles: een roestrode kruinstreep tussen twee zwarte banden, een roestbruine wang die achter en onder zwart is omlijst, een smalle romige oogring en een bleek vlekje vlak voor het oog. De onderdelen zijn wit met scherpe zwarte strepen op borst en flanken, de poten zijn vleeskleurig en de bovensnavel is opvallend recht in plaats van bol. Mannetje en vrouwtje zien er nagenoeg gelijk uit, en ook eerstejaars vogels dragen het roestbruine gezicht al.
Verwarringssoorten
In het najaar is de rietgors de valstrik. Die is groter en langer gestaart, heeft een donkere snorstreep onder een lichte baardstreep waar de dwerggors een egaal roestbruine wang heeft, mist de romige oogring en toont een duidelijk gebogen bovensnavel. Een jonge geelgors verraadt zich met de roestbruine stuit en met geel op buik of onderstaart. De bosgors deelt het witte, fijn gestreepte onderlijf, maar is groter, zet zijn kruinveren als een kuif op en heeft een witte vlek achter de oorstreek. In de praktijk hoort men de dwerggors eerder dan men hem ziet.
Leefgebied
In de broedtijd vochtig berken- en wilgenstruweel op de grens van taiga en toendra, veenranden en drassige plekken in het noordelijke naaldbos, altijd met een dichte kruidlaag en open natte grond ertussen. Op doortrek is het een vogel van de laagte: kwelders, ruige akkerranden en aardappelvelden, moestuintjes achter de zeereep en de zoom van duinstruweel, waar hij laag over de grond scharrelt en zich pas bij het opvliegen laat zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartgebied broedt de dwerggors alleen in het uiterste noorden: Fins Lapland, de dalen van Noord-Noorwegen tot Varanger en de noordrand van Zweden, in aantallen die van jaar tot jaar verschillen. De hele bevolking overwintert in Zuidoost-Azië, zodat wat West-Europa te zien krijgt afgedwaalde najaarstrekkers zijn. In Nederland gaat het om enkele tientallen per jaar, vooral op de Waddeneilanden en langs de Hollandse en Zeeuwse kust, met de piek in oktober; op de Britse eilanden vooral op Shetland en de Scilly-eilanden. In Spanje is hij zeldzaam en het meest langs de noordkust gezien. Een enkele vogel blijft de winter hangen bij een voerplek.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is een roepvogel. Ga in oktober bij het eerste licht op een trektelpost staan en leer dat droge tik; wie het eenmaal in het oor heeft, pikt hem uit een groepje graspiepers. Zit de vogel eenmaal, kijk dan naar de wang: egaal roestbruin met een donkere omlijsting betekent dwerggors, en de romige oogring is op tien meter nog te zien. Wie de soort ontspannen wil leren kennen gaat eind juni naar Lapland en volgt de zang door het berkenmoeras.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern): het broedgebied loopt van Fennoscandinavië tot de Grote Oceaan en de wereldbevolking is groot. De Europese aantallen zijn klein en schommelen, maar vertonen geen duidelijke daling. Dat er in West-Europa sinds de jaren zeventig steeds meer worden gezien zegt vooral iets over het aantal waarnemers en over de kennis van de roep. Op de Aziatische trekroutes wordt hij, net als de andere gorzen daar, met netten gevangen; voor deze soort is dat vooralsnog geen zichtbare aanslag op de aantallen.
Wetenschappelijke naam
Emberiza pusilla Pallas, 1776
Pallas beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. pusilla is Latijn voor 'heel klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Daurisch gebergte in Siberië.




