Alle soortenZangvogelsGorzen › Cirlgors

Cirlgors | Emberiza cirlus

Cirl bunting | Escribano soteño

Op het eerste gezicht een geelgors, maar het mannetje draagt een zwarte keel en een zwarte oogstreep, en de stuit is olijfgrijs in plaats van roestbruin. Het is de gors van warme, bosrijke akkerhellingen rond de Middellandse Zee, die het hele jaar op dezelfde helling blijft.

Cirlgors (Emberiza cirlus)
Foto: Paco Gómez — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een droge, snelle ratel op één toonhoogte, twee tot drie seconden lang: tsrrrrrrrrr — zonder de gerekte slottoon van de geelgors en zonder het versnellen van de grauwe gors. Hij zingt bijna het hele jaar door, met een piek van maart tot augustus, vanaf een boomtop, een draad of een cipres. Roep: een dun, scherp sip, vaak herhaald.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Iets kleiner en compacter dan de geelgors, met een kortere staart. Het mannetje heeft een geel gezicht met een zwarte oogstreep en een zwarte keelvlek, daaronder een gele band en dan een olijfgroene borstband; de flanken zijn kastanjebruin gestreept, de stuit olijfgrijs. Het vrouwtje is dof geelbruin en overal fijn gestreept — maar de olijfgrijze stuit blijft, en dat is het kenmerk dat telt. Beide geslachten tonen wit in de buitenste staartpennen.

Verwarrings­soorten

Van de geelgors gescheiden door de stuit: olijfgrijs bij de cirlgors, warm roestbruin bij de geelgors, in elk kleed en op elke leeftijd. Het mannetje verraadt zich bovendien meteen door de zwarte keel, de zwarte oogstreep en de olijfgroene borstband. Vrouwtjes zijn fijner en netter gestreept op de borst en missen het gele waas dat de geelgors op buik en onderstaart houdt. De grijze gors, die dezelfde hellingen kan bewonen, heeft een grijze kop met zware zwarte strepen en ongestreepte oranjebruine onderdelen.

Leefgebied

Warme, kleinschalige akkerhellingen met heggen, houtwallen, wijngaarden, olijf- en amandelgaarden, en verder open steeneikenbos, boomweiden en struweel langs terrassen. Nodig zijn hoge zangposten, dichte struiken om laag in te nestelen en kort, insectenrijk grasland om de jongen groot te brengen; in de winter zaadrijke stoppels dicht bij dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Standvogel van Zuid-Europa: Iberië, Zuid-Frankrijk, Italië met de grote eilanden, de Balkan en Griekenland, met een uitloper langs de westkust van Turkije. Verder in de Maghreb, van Marokko tot Tunesië. De noordgrens loopt door Midden-Frankrijk; ten noorden daarvan houdt alleen Zuidwest-Engeland een geïsoleerde bevolking. In Nederland is hij een zeldzame gast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in maart en april op een zuidhelling met olijven en hagen en luister naar de vlakke ratel, die aan een braamsluiper doet denken; die verraadt de vogel voordat je hem ziet. Kijk daarna in de top van een cipres of op een draad. Buiten de zangtijd is een groepje bij een stoppel het makkelijkst: let op de olijfgrijze stuit zodra de vogels opvliegen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Zuid-Europa nog wijdverbreid, al gaat hij achteruit waar heggen en oude gaarden plaatsmaken voor grootschalige teelt. Aan de noordrand is hij kwetsbaar: in Engeland liep de bevolking terug tot iets meer dan honderd paren, waarna gericht beheer met winterstoppels en kruidenrijke randen hem terugbracht tot ruim boven de duizend paren — een van de best gedocumenteerde herstelverhalen van het Europese boerenland.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cirlus Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cirlus komt van de Italiaanse streeknaam cirlo voor een gors, bij zirlare 'sjilpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.