Alle soortenZangvogelsGorzen › Bruinkeelortolaan

Bruinkeelortolaan | Emberiza caesia

Cretzschmar's bunting | Escribano ceniciento

De Egeïsche tegenhanger van de ortolaan: dezelfde bouw en dezelfde oogring, maar met een blauwgrijze kop en een warm oranjebruine keel. Hij broedt op kale, steenachtige hellingen van Griekenland tot de Levant en is een van de eerste zangvogels die er in maart terugkeert.

Bruinkeelortolaan (Emberiza caesia)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort en zakelijk: drie of vier gelijke, licht schrapende tonen gevolgd door één lagere, uitgerekte toon — tsju tsju tsju tsjrüü — in een paar seconden afgelopen en met korte tussenpozen herhaald. Hij zingt van eind maart tot juni vanaf een rotsblok, een lage struik of een muurtje. Roep: een hard, kort tsjep.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Kleine, slanke gors met een lange staart met witte buitenzijde en een roze snavel. Het mannetje heeft een egaal blauwgrijze kop en borstband, een warm oranjebruine keel en snorstreep, een smalle witachtige oogring en roestoranje onderdelen. Het vrouwtje is doffer en fijn gestreept op kruin en borst, maar houdt de grijzige kop en de oranjebruine keel. Jonge vogels zijn bruin en gestreept, met een roestkleurige waas op stuit en onderstaart.

Verwarrings­soorten

De ortolaan is de enige echte verwarringssoort, en beide staan vaak op dezelfde helling. Kijk naar keel en kop. Bij de ortolaan zijn keel en snorstreep bleekgeel, zijn kop en borstband grijsgroen en is de oogring geel; bij de bruinkeelortolaan zijn keel en snorstreep warm oranjebruin, is de kop zuiver blauwgrijs zonder groenzweem en is de oogring witachtig. De onderdelen zijn bij de bruinkeelortolaan dieper roestrood, en de vogel oogt iets kleiner en korter van vleugel. Ook het geluid scheidt ze: de strofe van de bruinkeelortolaan is korter en droger en mist de lagere slottonen van de ortolaan.

Leefgebied

Droge, stenige hellingen met lage doornstruiken — phrygana en garrigue — met kale grond ertussen, en verder verlaten terrassen, geitenweiden en rotsige kusthellingen. Hij foerageert op de blote grond tussen de struikjes en heeft daarvoor open, niet dichtgegroeid terrein nodig; een enkele rots of struik dient als zangpost.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de Egeïsche wereld: het Griekse vasteland, de eilanden, Kreta, Cyprus, West- en Zuid-Turkije en de Levant tot in Israël en Jordanië. Zomergast, die in Noordoost-Afrika overwintert, van Soedan tot Eritrea. Buiten dat gebied is hij een zeldzame dwaalgast; in Noordwest-Europa gaat het om enkele gevallen in het voorjaar.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wees er vroeg bij: op de Griekse eilanden is hij in de tweede helft van maart en in april op zijn zichtbaarst, wanneer de mannetjes vanaf lage struiken zingen en de hellingen nog kaal zijn. Zoek zuidhellingen met verspreide doornkussens en let op de warme keelkleur zodra de vogel zich draait; in tegenlicht lijkt die keel donker en is de blauwgrijze kop het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), en op de Griekse eilanden en in West-Turkije nog talrijk. De bedreigingen zijn plaatselijk: hellingen die na het wegvallen van begrazing dichtgroeien, en bebouwing langs de kust. Als trekvogel naar Noordoost-Afrika is hij daarnaast afhankelijk van de omstandigheden in het winterkwartier.

Wetenschappelijke naam

Emberiza caesia Cretzschmar, 1827

Cretzschmar beschreef de soort in 1827 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. caesia komt van het Latijnse caesius 'blauwgrijs', naar de grijze kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het eiland Kurgos in Soedan.