Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Citroensijs

Citroensijs | Carduelis citrinella

Citril finch | Verderón serrano

De citroensijs is de vink van de boomgrens: een klein, geelgroen vogeltje van de open bergbossen en de alpenweiden van de Pyreneeën, de Alpen, het Zwarte Woud en de Vogezen. Hij eet zaden van kruiden en van spar en den en foerageert veel op de grond, tussen kort gras en steenslag, waar hij als een muis tussen de zoden wegloopt.

Citroensijs (Carduelis citrinella)
Foto: Sandra from France — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een nasaal, wat trekkerig tsie-uu of djie, met een klank die tussen sijs en kneu in ligt en op afstand het bruikbaarste kenmerk is. In de vlucht klinkt daarnaast een kort, rollend tit-tit-tit waarmee groepjes contact houden. De zang is een snel, ratelend en wat schetterend gebabbel met nasale halen ertussen, korter en droger dan dat van de europese kanarie, gebracht vanaf een sparrentop of in een trage, vlinderende zangvlucht boven de alpenweide; te horen van april tot in juli.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en gedrongen, met een kort, spits, hoornkleurig snaveltje en een korte gevorkte staart. Kop en onderdelen zijn geelgroen, met een grijze nek en grijze zijhals die als een sjaal om de gele kop ligt. De rug is effen grijsgroen zonder streping en de stuit is geel; de vleugel draagt twee gelige banden. Het vrouwtje is doffer en grijzer, jonge vogels zijn bruinig en fijn gestreept, maar hebben al de gele stuit en de gelige vleugelbanden.

Verwarrings­soorten

De Corsicaanse citroensijs is de kritische soort, en het verschil is werkelijk goed te zien: die heeft een warm bruine, donker gestreepte rug en fijne bruine streepjes op de flanken, waar de citroensijs een effen grijsgroene rug en ongestreepte flanken heeft. Ze komen elkaar bovendien niet tegen — de Corsicaanse zit alleen op Corsica, Sardinië en Elba. Wat in de bergen wél naast elkaar zit is de sijs: die is gestreept op rug en flanken, heeft bij het mannetje een zwarte kruin en kin en een veel fijner snaveltje. De groenling is een maat groter, veel forser van snavel en heeft heldere gele vlekken in vleugel en staart.

Leefgebied

Open bergbos van spar, den en lariks tussen ongeveer duizend en tweeduizend meter, het dwergstruweel aan de boomgrens, en de korte alpenweiden, skipistes en steenhellingen daarboven, waar hij zaad van kruiden van de grond oppikt. In de winter zakt hij naar de dalen en zit dan op braakliggende akkers, langs bergwegen en op onkruidruigtes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De bergketens van Zuidwest- en Midden-Europa: de Cantabrische bergen en de Pyreneeën, het Centraal Massief, de Vogezen, het Zwarte Woud, de Jura, de Alpen en de Apennijnen, met in Spanje verder kernen in het Iberisch Systeem, het Centraal Systeem en de Sierra Nevada. Het is een lappendeken van gescheiden bevolkingen, elk aan zijn eigen gebergte gebonden; echte trek is er nauwelijks. Ten noorden van het gebergte is de soort een grote zeldzaamheid, en in Nederland en België gaat het om enkele gevallen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juni naar de boomgrens en zoek de overgang op: de laatste sparren, dan dwergstruweel, dan gras. Daar foerageren de groepjes op de grond en vliegen ze bij verstoring naar de dichtstbijzijnde sparrentop. Een parkeerplaats of een skipiste op tweeduizend meter is vaak de beste plek, want daar staat kort gras met veel zaad en komen de vogels drinken bij de smeltwatergreppels.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In de Alpen en de Pyreneeën is de soort algemeen; het dichtgroeien van verlaten alpenweiden en het verdwijnen van open bosstructuur zijn de belangrijkste zorgen. In het Zwarte Woud en de Vogezen is de bevolking klein en op sommige plekken afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Carduelis citrinella (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Fringilla citrinella; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Carduelis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Carduelis is het Latijnse woord voor de putter, afgeleid van carduus 'distel', waarvan de vogel de zaden eet. citrinella is een Italiaans woord voor een klein geel vogeltje, een verkleinvorm van het Latijnse citrinus 'citroengeel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holland.