Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kruisbek
Kruisbek | Loxia curvirostra
Red crossbill | Piquituerto común
De kruisbek laat zijn jaar niet door het licht bepalen maar door de kegeloogst. In een bos met goed dragende sparren kan hij al in januari jongen op het nest hebben, met sneeuw op de takken; mislukt de oogst, dan verlaat hij midden in de zomer met duizenden tegelijk het gebied. De gekruiste snaveltoppen doen daarbij één ding uitstekend: ze wrikken de schub van een kegel omhoog, waarna de tong het zaad eruit tilt.
Geluid
De roep is het belangrijkste kenmerk van de soort en tegelijk de reden dat het hele geslacht zo lastig ligt. De vluchtroep is een hard, metalig kjip kjip kjip, meestal in reeksen van drie tot vijf en over honderden meters hoorbaar; overvliegende groepjes verraden zich altijd eerst daarmee. Uit foeragerende groepen klinkt daarnaast een zachter, opgewonden tjoek. De zang is een langgerekt mengsel van diezelfde roepen met ratels, trillers en een enkele heldere fluittoon ertussen, gebracht vanaf een kale topscheut of tijdens een trage, vlinderende zangvlucht. Wat de vogelaar erbij moet weten: binnen de kruisbek worden in Europa verschillende roeptypen onderscheiden, elk met een eigen vluchtroep, en vogels van hetzelfde type houden zich vooral bij elkaar. Wie roepen opneemt en het sonogram bekijkt komt veel verder dan wie alleen luistert — en zelfs dan blijft een deel van de vogels naamloos.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Zware, gedrongen vink met een grote kop, een korte en diep gevorkte staart en een dikke snavel waarvan de boven- en onderpunt elkaar voorbij steken. Het mannetje is baksteenrood tot oranjerood, het vrouwtje grijsgroen met een gelige stuit, en jonge vogels zijn grijsbruin en over kop, borst en rug grof gestreept. Vleugels en staart zijn effen donkerbruin, zonder enige vleugelstreep. In de vlucht is het silhouet karakteristiek: een dikke kop-en-borstpartij vooraan, een korte gevorkte staart achteraan, en een snelle golvende vlucht hoog over het bos.
Verwarringssoorten
De drie andere kruisbekken zijn het echte probleem, en dat is een eerlijk probleem: ze verschillen vrijwel alleen in de zwaarte van de snavel en in de roep, en beide kenmerken overlappen zo sterk dat een deel van de vogels in het veld eenvoudigweg niet te benoemen is. Alleen de witbandkruisbek valt er meteen uit, met twee brede witte vleugelbanden en witte punten aan de langste schouderveren. Grote kruisbek en schotse kruisbek hebben een zwaardere, bollere snavel waarvan de gekruiste punten minder ver uitsteken, maar dat verschil is een zaak van verhoudingen op een scherpe foto, niet van één blik door de kijker. Vrouwtjes worden verder wel voor groenlingen aangezien; die hebben een rechte kegelsnavel en heldere gele vlekken in vleugel en staart.
Leefgebied
Naaldbos van alle soorten: sparrenopstanden, dennenbos, lariks en douglas, en verder gemengd bos met veel naaldhout, boomsingels, begraafplaatsen en parken met oude coniferen. Foerageert klauterend en hangend in de kroon, vaak ondersteboven aan een kegel. Daarbuiten zoekt hij vooral water op — ondiepe plassen op bospaden, greppels, veedrinkbakken — want een dieet van droog zaad geeft dorst.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt door heel Europa waar naaldbos staat, van de Noorse en Finse taiga tot de bergbossen van Spanje, de Balearen, Corsica, de Balkan en Turkije, en daarbuiten nog in het Atlasgebergte. In Nederland en België is het een broedvogel van de naaldbossen op de zandgronden, in sterk wisselende aantallen. Ongeveer eens in de drie tot vijf jaar volgt vanaf juni een invasie uit het noordoosten, en dan zitten er kruisbekken in bosjes waar ze anders nooit komen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk eerst naar de grond. Liggen er onder de sparren verse, uitgeplozen kegels met opgewipte schubben, dan zit de soort in dat bos. Blijf daarna op een open plek staan en luister omhoog: het harde kjip kjip komt bijna altijd eerder dan het beeld. In een droge zomer loont het om bij een bospoel te posten, want dan komt de hele groep drinken en zit hij eindelijk eens laag.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De aantallen schommelen van jaar tot jaar enorm met de kegeloogst, waardoor een enkele telling weinig zegt; over langere reeksen is er geen afname. Plaatselijk is het omvormen van naaldhoutplantages naar loofbos ongunstig, maar over zijn hele areaal is de soort talrijk.
Wetenschappelijke naam
Loxia curvirostra Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Loxia voerde hij in datzelfde werk in. Loxia komt van het Griekse loxos 'schuin', naar de gekruiste snavelpunten. curvirostra is Latijn voor 'kromsnavel', van curvus 'gebogen' en rostrum 'snavel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



