Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Schotse kruisbek
Schotse kruisbek | Loxia scotica
Scottish crossbill | Piquituerto escocés
De schotse kruisbek is de enige vogelsoort die alleen in Groot-Brittannië voorkomt: hij broedt in de oude dennenbossen van de Schotse Hooglanden en nergens anders ter wereld. Hij is meteen ook de moeilijkste vogel van dit boek, want in het veld is hij alleen aan zijn roep en aan zijn woonplaats te herkennen — en over het eerste wordt nog altijd gestreden.
Geluid
Het geluid is het enige veldkenmerk dat er is, en daarom hoort het hier uitvoerig. De vluchtroep is een hard, wat blikkerig tjip, voller en dieper dan dat van de kruisbek en scherper dan dat van de grote kruisbek — ongeveer in het midden dus, en precies daar zit het probleem. De opwindingsroep, die uit rustende en foeragerende groepen klinkt, is een droog tjuk en geldt als het bruikbaarste kenmerk van de drie. De zang is een reeks ratels, roepen en korte trillers vanaf een dennentop, met het oor niet van die van de andere twee te scheiden. Ook mét opnamen blijft de zaak omstreden: de drie soorten overlappen in hun sonogrammen en niet elke onderzoeker trekt de grenzen op dezelfde plaats. Wie hier zekerheid verwacht, verwacht meer dan de vogel geeft.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kruisbek van tussenmaat: forser dan de kruisbek, minder zwaar dan de grote kruisbek, met een snavel die iets hoger is dan die van de eerste en iets minder bol dan die van de tweede. Mannetje baksteenrood, vrouwtje grijsgroen met een gele stuit, jonge vogels grijsbruin en gestreept — precies als bij de andere twee. Er is geen kleurkenmerk, geen vleugelstreep en geen maatverhouding waarmee je hem op het beeld alleen vastlegt.
Verwarringssoorten
De kruisbek en de grote kruisbek broeden allebei in diezelfde Schotse dennenbossen, en de snavelmaten van de drie vormen daar één doorlopende reeks zonder gat. Het gevolg is dat een gefotografeerde vogel meestal onbenoemd blijft. Onderzoekers werken daarom met opgenomen geluid: metingen aan Schotse vogels laten een eigen vlucht- en opwindingsroep zien, en vogels paren vooral met partners die dezelfde roep en dezelfde snavelmaat hebben. Buiten Schotland heeft de naam eenvoudigweg geen betekenis: elke kruisbek elders is er geen.
Leefgebied
Oude, open dennenbossen van grove den in de Hooglanden — de resten van het Caledonische woud — en daarnaast oudere dennenaanplant en gemengd bos met veel den. Foerageert in de kroon aan de kegels en komt aan de grond om te drinken bij vennen, plassen en greppels langs bospaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Alleen Schotland, en daarbinnen vooral de Hooglanden ten noorden van de Great Glen en het dal van de Spey: Strathspey, Deeside, Easter Ross en Sutherland. De bevolking wordt op enkele duizenden vogels geschat, al is elke schatting zo goed als de determinatie waarop ze rust. Buiten Schotland komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in maart of april naar een oud dennenbos in Strathspey en neem een opnameapparaat mee: bij deze soort is luisteren en opnemen de enige werkwijze die verder komt dan een vermoeden. Zoek de vogels vroeg op de dag bij een bospoel, want daar komen groepen drinken en verraden ze zich met de opwindingsroep. En noteer eerlijk wat je hebt: 'kruisbek, niet op soort gebracht' is een even waardevolle waarneming.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar het is wel een soort met een klein areaal en een kleine bevolking, en dus met weinig marge. Behoud en uitbreiding van oud dennenbos in de Hooglanden is de bepalende maatregel; verlies van oude, kegeldragende dennen en vervanging door spar zijn de voornaamste bedreigingen. De omstreden indeling maakt het bovendien lastig om de aantallen te bewaken.
Wetenschappelijke naam
Loxia scotica Hartert, 1904
Hartert beschreef de soort in 1904 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Loxia werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Loxia komt van het Griekse loxos 'schuin', naar de gekruiste snavelpunten. scotica is Latijn voor 'Schots', naar de Schotse naaldbossen waar de soort als enige voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ross-shire in Schotland.

