Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Frater

Frater | Linaria flavirostris

Twite | Pardillo piquigualdo

De frater is de kneu van het kale noorden: een bruine, gestreepte vink die op boomloze kustheide broedt en de winter aan zee doorbrengt, op kwelders en in het zeekraalveld. Hij is een van de weinige Europese vinken die het hele jaar in open, boomloos land leven.

Frater (Linaria flavirostris)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard, nasaal en opvallend hoog tsjwèèt, schriller en scherper dan alles wat de kneu doet; daarnaast een snel tjek-ek-ek dat wél op de kneu lijkt. De zang is een snel, ratelend gebabbel met veel nasale tonen, gebracht vanaf een rotsblok of een hekpaal in het broedgebied.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Slanke vink met een lange, gevorkte staart, warm okerbruin en overal fijn gestreept, met witte randen langs de handpennen en de staart. De keel is egaal oranjebruin en ongestreept — het beste kenmerk dat de soort heeft. De snavel is in de winter helder wasgeel, in de zomer grijsbruin. Het mannetje heeft een roze stuit, het vrouwtje niet.

Verwarrings­soorten

De kneu is de vergissing, en de snavel en de keel beslissen het. De frater heeft in de winter een gele snavel, de kneu een grijze. De keel van de frater is egaal warm oranjebruin, die van de kneu witachtig met fijne streepjes. Verder mist de frater het grijze kopje en het rode voorhoofd van het kneumannetje en toont hij, als mannetje, een roze stuit. Beide soorten hebben wit in vleugel en staart, dus daar heb je niets aan.

Leefgebied

Broedt op boomloze heide, hoogveen en steile kusthellingen met adelaarsvaren en struikhei, in Schotland vaak vlak boven de branding. Overwintert vrijwel uitsluitend aan de kust: kwelders, zeekraalvelden, vloedmerken en zilte akkerranden, waar hij zaden van zeekraal, schorrenkruid en melde eet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartgebied broedt de frater langs de hele westrand van Noorwegen, in Schotland en op de Hebriden, in Ierland en zeer plaatselijk in Engeland; verder oostelijk in Turkije en de Kaukasus, in een aparte vorm van het hooggebergte. In de winter komt hij naar de kusten van de Noordzee en de Oostzee. In Nederland is hij dan een schaarse gast van de Waddenkust en van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kwelders.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek van november tot maart een kwelder op bij opkomend water: fraters foerageren laag tussen de zeekraal en worden door het water opgedreven, tot ze in een dichte groep op de vloedlijn zitten. Let bij elke vogel op de snavel — geel is frater — en op de keel, die bij de frater ongestreept oranjebruin is.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar de West-Europese bevolking is klein en sterk afgenomen. In Groot-Brittannië en Ierland is de soort uit grote delen van het vroegere broedgebied verdwenen doordat begrazing en het branden van heide de zaadrijke kruiden wegnemen die de jongen nodig hebben, en doordat de onbemeste hooilandjes bij de broedplaatsen zijn verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Linaria flavirostris (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla flavirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Linaria werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Linaria is het Latijnse woord voor een linnenwever, van linum 'vlas'. flavirostris is Latijn, van flavus 'geel' en rostrum 'snavel', naar de gele snavel in winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.