Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Kneu
Kneu | Linaria cannabina
Eurasian linnet | Pardillo común
De kneu is de vink van heide, duin en braakliggend land: een slanke, bruine vogel met wit in vleugel en staart, waarvan het mannetje in het voorjaar een karmijnrode borst en een rood voorhoofd krijgt. Hij broedt in losse kolonies in laag struweel en foerageert het hele jaar op zaden van kruiden.
Geluid
De zang is een vrolijk, snel en muzikaal gebabbel van kwetterende en fluitende tonen, meestal in koor vanaf een struiktop of een draad, van maart tot in augustus. De roep is een licht, nasaal en snel herhaald tjek-ek-ek, waaraan overvliegende groepjes zijn te herkennen, plus een klagend, dalend tsoo-iet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slanke vink met een korte, grijze snavel en een lange, gevorkte staart. Het broedmannetje heeft een grijze kop, een kastanjebruine mantel en een karmijnrode borst en voorhoofd; buiten de broedtijd is dat rood grotendeels verdwenen. Het vrouwtje is bruin en gestreept, zonder rood. Beide geslachten tonen in vlucht witte vlakken langs de handpennen en witte randen langs de staart. De keel is witachtig en fijn gestreept.
Verwarringssoorten
De frater is de soort waar het om gaat, en de snavel en de keel beslissen het. De kneu heeft een grijze snavel en een witachtige, gestreepte keel; de frater heeft in de winter een heldergele snavel en een egale, warm oranjebruine keel zonder streping. Verder heeft het kneumannetje een grijze kop met een rood voorhoofd, terwijl de frater een egaal bruin gestreept kopje houdt en het mannetje een roze stuit toont.
Leefgebied
Heide, duinstruweel, ruige akkerranden, braakliggend land, jonge aanplant, kwekerijen en dijken met brem en gaspeldoorn. Broedt laag in dichte struiken, vaak met een paar paren bij elkaar, en foerageert op de grond op zaden van kruisbloemigen en composieten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Europa, van Zuid-Scandinavië tot de Middellandse Zee, en verder Noord-Afrika en Turkije. In Nederland een broedvogel van duinen, heide en agrarisch gebied, die in de winter grotendeels wegtrekt naar Frankrijk en Iberië; wat blijft vormt groepen op kwelders en stoppelvelden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in mei over een heideveld of door de duinen en let op de zangposten: kneuen zingen graag met een paar mannetjes tegelijk vanaf de top van een struik of vanaf prikkeldraad. In augustus en september zitten ze in groepjes op onkruidrijke akkerranden, waar ze op de grond foerageren en bij verstoring als één groep een struik in duiken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Noordwest-Europa fors afgenomen. De oorzaak is het verdwijnen van zaadrijke onkruiden: winterstoppels zijn vervangen door wintergraan, akkerranden worden schoon gehouden en braakligging is verdwenen. In Zuid-Europa is illegale vangst voor de kooivogelhandel een extra druk.
Wetenschappelijke naam
Linaria cannabina (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla cannabina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Linaria werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Linaria is het Latijnse woord voor een linnenwever, van linum 'vlas'. cannabina is Latijn voor 'van de hennep', naar de zaden waarop de vogel foerageert. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




