Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Grote barmsijs
Grote barmsijs | Acanthis flammea
Common redpoll | Pardillo sizerín
De grote barmsijs is het kleine, gestreepte vinkje met een rood petje en een zwarte kinvlek dat in troepjes aan berken- en elzenproppen hangt. De kleine en de grote barmsijs worden sinds AviList 2025 als één soort behandeld, zodat alles wat hieronder staat op beide vormen slaat.
Geluid
De vluchtroep is een hard, droog en snel geratel tsjet-tsjet-tsjet, dat je van een overvliegend troepje het eerst hoort; daarnaast een langgerekt, klagend en nasaal tsjwiie. De zang is dat geratel doorspekt met trillers, vaak in een trage zangvlucht met stijve, slaande vleugels boven de berken, van april tot in juli.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en gestreept, met een korte gevorkte staart, een geel kegelsnaveltje, een karmijnrood voorhoofdje en een zwarte kinvlek. Het mannetje heeft in het voorjaar een roze aangelopen borst en stuit. Twee lichte vleugelstrepen, fijne streping op flanken en onderstaartdekveren. De vormen verschillen sterk van tint: de noordelijke flammea is groter, koel grijswit en als berijpt, de Midden-Europese cabaret kleiner, warm bruin en donker.
Verwarringssoorten
Binnen de soort scheiden de stuit en de snavel de twee vormen. De noordelijke flammea heeft een brede, witachtige stuit met alleen fijne streepjes, een witte vleugelstreep en een koele, witte grondkleur; de cabaret heeft een bruine, duidelijk gestreepte stuit, een bruinige vleugelstreep en een warme, donkere grondkleur, en is merkbaar kleiner. De snavel van flammea oogt langer en spitser, die van cabaret korter en stomper. Buiten de soort komt vooral de sijs in aanmerking: die is groengeel in plaats van bruin en mist het rode voorhoofd en de zwarte kin.
Leefgebied
Broedt in berkenbos en berkenstruweel, in wilgen- en elzenbroek, in jonge naaldaanplant en in de dwergberkenzone aan de boomgrens. Buiten de broedtijd in berken en elzen langs beken en vennen, op braakliggend land met melde, en in tuinen bij nigerzaad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord-Europa, van IJsland en Noord-Scandinavië tot ver in Rusland, en verder van de Alpen, Schotland, Ierland, Engeland, Denemarken en de Lage Landen — die laatste vooral in de kleine, donkere vorm. In de winter zwerft hij zuidwaarts, in sommige jaren in invasieachtige aantallen tot in Midden- en Zuid-Europa, terwijl er in andere jaren nauwelijks één te vinden is.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek van november tot maart een berkenrij op zandgrond of een elzenkant langs een ven en luister eerst: het droge geratel valt op tussen het klaaglijke geroep van sijzen. Let daarna bij elke vogel op de stuit — daar heb je geduld voor nodig, want die zie je pas als de vogel zich omdraait — en op de algemene tint. Een echt witte, berijpte vogel tussen een groep warmbruine is de noordelijke vorm.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Groot-Brittannië en de Lage Landen nam de kleine, donkere vorm in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk toe en daarna weer af, in de pas met de aanplant en het ouder worden van naaldbos. De noordelijke bevolking is groot en schommelt met de berken- en sparrenzaadoogst.
Wetenschappelijke naam
Acanthis flammea (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla flammea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acanthis werd in 1797 ingevoerd door Borkhausen. Acanthis is Oudgrieks: akanthis was bij de klassieke schrijvers de naam van een klein vogeltje dat niet meer met zekerheid te thuisbrengen is. flammea is Latijn voor 'vlamkleurig', naar het rood op kruin en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Norrland in Zweden.




