Alle soortenZangvogelsGorzen › Gestreepte gors

Gestreepte gors | Emberiza striolata

Striolated bunting | Escribano estriado

De gors van de rotswoestijn. In de kale wadi's van de Negev, de Judeese woestijn, Zuid-Jordanië en de Sinaï zit hij op een steen tussen de hitte, klein, kaneelbruin en met een scherp zwart-wit gestreepte kop, en vliegt hij bij het minste geluid een kloofwand op.

Gestreepte gors (Emberiza striolata)
Foto: Greg Schechter — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort en droog: een handvol snelle, wat schetterende tonen met een dalend slot, meestal in korte reeksen herhaald vanaf een rotsblok of een richel, het vaakst in de vroege ochtend en de late namiddag. De roep is een nasaal, iets omhoog getrokken tsjwiep, dat tussen de rotswanden lang doorklinkt en vaak het eerste is wat je van de soort merkt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en kortgestaart, zonder wit in de staart. De kop is grijs met scherpe zwarte en witte strepen — een witte kruinstreep tussen zwarte banden, een witte wenkbrauw en een witte streep onder de wang, alle drie fors afgetekend. De rug is grijsbruin met duidelijke donkere strepen, de vleugels zijn roestbruin en de onderdelen warm kaneelbruin. De snavel valt op: de ondersnavel is oranjegeel en de bovensnavel donker. Het vrouwtje is iets doffer, met minder contrast op de kop.

Verwarrings­soorten

Zijn naaste verwant is de huisgors, die precies dezelfde maat en vorm heeft maar in Noordwest-Afrika leeft; de twee komen nergens samen voor, zodat de plaats de vraag al beantwoordt — ten oosten van de Nijl deze soort, in de Maghreb de huisgors. Binnen de Levant gaat het mis met de grijze gors: die is groter en langer gestaart, heeft wit aan de zijkanten van de staart, een grijze borst en zwaardere zwarte kopstrepen, en zit hoger in de bergen. De woestijnvink is bolliger, heeft een dikke roze snavel en mist elke kopstreping. Een vrouwtje huismus heeft een veel zwaarder gebouwde snavel en geen fijne witte kopstrepen.

Leefgebied

Kale rotswoestijn: kloofwanden en rotsplateaus, steile wadi-flanken, puinhellingen en stenige vlakten met nauwelijks meer dan een verdorde struik. Hij nestelt in spleten en onder overhangende stenen, foerageert lopend over de kale grond en is voor drinkwater afhankelijk van bronnen, poeltjes en lekkende leidingen — daar duikt hij ook in de buurt van gehuchten en veeposten op, maar hij trekt niet in de dorpen zelf.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartgebied bereikt de gestreepte gors alleen de zuidoostelijke hoek: de Negev en de bergen bij Eilat, de Judeese woestijn en de flanken van de Dode Zeeslenk, het bergland van Zuid-Jordanië rond Dana, Petra en Wadi Rum, en het Sinaï-gebergte. Verder oostwaarts loopt zijn gebied door over Arabië tot Iran en India. Hij is standvogel, trekt niet en zwerft hooguit lokaal naar drinkplaatsen; in strenge droogte schuiven de vogels naar de weinige plekken met water.

Waar en wanneer kijken

Ga bij de drinkplaats zitten. In de bergen bij Eilat, in Wadi Rum of bij Ein Avdat komen de vogels op vaste tijden — vroeg in de ochtend en het laatste uur van de middag — naar een bron of een plas, en dan zie je ze van dichtbij in plaats van als silhouet op een richel. Luister onderweg naar het nasale tsjwiep tussen de wanden en zoek dan met de kijker de kale steenrichels af; de kop met zijn zwart-witte strepen springt in de zon meteen uit het grijs.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over zijn hele areaal, van de Sahel tot India, ruim verspreid. In de Levant is hij niet talrijk maar wel stabiel; hij leeft in terrein waar weinig te winnen valt en dat daarom weinig verandert. Wel is hij afhankelijk van open water in een droog land, zodat het oppompen van grondwater en het droogvallen van bronnen plaatselijk merkbaar zijn. De bleke vogel van de dorpen in Noordwest-Afrika, die lang als een ondersoort hiervan gold, wordt tegenwoordig als aparte soort behandeld; wat hier Emberiza striolata heet is daarmee de vogel van de woestijnen ten oosten van de Nijl.

Wetenschappelijke naam

Emberiza striolata (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla striolata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. striolata is Latijn voor 'fijn gestreept', een verkleinvorm bij stria 'streep', naar de streping op kop en rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ambukol in Soedan.