Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Grijze junco

Grijze junco | Junco hyemalis

Dark-eyed junco | Junco ojioscuro

Van de vier Amerikaanse gorzen in deze gids is de junco de makkelijkste: leigrijs van kop tot borst, sneeuwwit vanaf de borst omlaag, met een roze snavel en twee witte staartzijden die bij het opvliegen openklappen. In Noord-Amerika staat hij bij elke voedertafel; hier is hij de tweede in aantal na de witkeelgors, en hij wordt bijna altijd in een tuin gevonden.

Grijze junco (Junco hyemalis)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een droge, gelijkmatige, klinkende triller van vier tot twee seconden op één toonhoogte, kortaf en zonder inleiding — in de Amerikaanse voorjaarsbossen een van de eerste geluiden van de dag. Britse dwaalgasten hebben in april en mei gezongen, en dat is meer dan eens de vondst geweest. De roepen zijn een scherp smakkend tsjik, vaak in reeksen, en bij het opvliegen een snel twinkelend geratel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en compact, met een ronde kop en een vrij lange staart. De vorm die Europa bereikt is de leigrijze: kop, keel, borst, rug en flanken egaal donker leigrijs, scherp begrensd tegen een zuiver witte buik, alsof de vogel tot de borst in de sneeuw heeft gestaan. De snavel is roze tot ivoorwit en licht op tegen het grijs; het oog is donker. Bij het opvliegen spreidt hij de staart en dan springen de twee volledig witte buitenste staartpennen eruit tegen een verder zwartgrijze staart. Vrouwtjes en eerstejaars vogels zijn bruiner grijs, soms met een vage bruine zweem over rug en flanken, maar hebben dezelfde scherpe grens, dezelfde snavel en dezelfde staart. Op de grond huppelt hij en klapt hij de staart telkens even open.

Verwarrings­soorten

Er is in Europa geen vogel die grijze kop en borst, een scherp afgesneden witte buik, een roze snavel én witte buitenste staartpennen op een donkere staart combineert; ziet u die vier, dan bent u klaar. In de praktijk gaat het mis bij een vluchtige blik in een tuin. Heggenmus scharrelt op dezelfde plaats onder de voedertafel en is ook grijs met bruin, maar heeft een dun, spits insectensnaveltje, gestreepte flanken, een gestreepte bruine rug en geen wit in de staart. Een vrouwtje huismus is bruin en gestreept op de rug, met een lichte wenkbrauwstreep en een zware hoornkleurige snavel. Bij een junco met bruine tint is de vraag dus niet welke grijstint u ziet, maar of de buik scherp is afgesneden en of er wit in de staart zit.

Leefgebied

Hier is het een tuinvogel: hij scharrelt op de grond onder een voedertafel of langs een heg, in een boomgaard, op een kerkhof of langs een bosrand met kort gras ernaast. Bij verstoring vliegt hij niet ver maar gaat hij een paar meter de heg of de onderste takken in. In eigen gebied is het een vogel van naald- en gemengd bos en van de randen daarvan, die in de winter naar het lager gelegen cultuurland en de tuinen zakt. Verschillende Europese vogels zijn niet aan land gezien maar op boorplatforms in de Noordzee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het bos van Alaska en Canada tot in de bergketens van de Verenigde Staten, in een aantal sterk verschillende vormen; de noordelijke vogels trekken in de winter zuidwaarts en dat zijn de kandidaten voor een oversteek. Binnen het kaartgebied is hij een dwaalgast met een duidelijk voorjaarspatroon: april en mei zijn de topmaanden, en uit augustus en september is niets bekend. Het eerste Britse geval was een mannetje dat op 26 mei 1960 bij Dengemarsh op Dungeness in Kent werd gevangen; sindsdien zijn er enkele tientallen gevolgd, met het zwaartepunt in Engeland en Schotland. Elders in het gebied gaat het om verspreide waarnemingen, waaronder op de Azoren.

Waar en wanneer kijken

Kijk in april en mei naar de grond onder de voedertafel. Het is niet overdreven: de meeste juncos worden door tuineigenaren gemeld, en de rest door vogelaars op eilandposten. Ziet u een klein grijs vogeltje dat huppelend onder een heg foerageert, laat het dan opvliegen en let op de witte staartzijden. Fotografeer de snavel — roze — en de scherpe grens tussen grijs en wit, en zoek de poten af op een ring. Een junco blijft vaak dagen tot weken op dezelfde plek en is dan door velen te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en met een populatie in de honderden miljoenen een van de talrijkste vogels van Noord-Amerika, al is er sprake van een langzame afname. In Europa gaat het om een handvol gevallen per jaar en om de vraag hoe die vogels hier komen. Het voorjaarspatroon en de waarnemingen op boorplatforms in de Noordzee wijzen twee kanten op: vogels die de oversteek het najaar ervoor maakten en de winter aan deze kant doorbrachten, en vogels die een deel van de weg per schip aflegden. Ontsnapte kooivogels spelen bij deze soort geen rol van betekenis.

Wetenschappelijke naam

Junco hyemalis (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla hyemalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Junco werd in 1831 ingevoerd door Wagler. Junco komt van het Latijnse iuncus 'bies', via het Spaanse junco. hyemalis is Latijn voor 'van de winter'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.