Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Witkeelgors

Witkeelgors | Zonotrichia albicollis

White-throated sparrow | Chingolo gorjiblanco

De meest gemelde van de Amerikaanse gorzen in Europa, en tegelijk de enige die u met een beetje geluk gewoon in een tuin vindt. Het is een vogel met een uitgesproken koptekening: zwart-wit gestreepte kruin, een scherp begrensde witte keel en een geel vlekje tussen oog en snavel. Opvallend is dat de meeste Europese gevallen niet in het najaar vallen maar in het voorjaar.

Witkeelgors (Zonotrichia albicollis)
Foto: CBBrit25 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, ijle fluittonen op één hoogte, waarvan de eerste twee lang worden aangehouden en de rest in drieklanken volgt; in Noord-Amerika wordt hij als oh sweet Canada Canada Canada opgeschreven. Een dwaalgast die hier in het voorjaar blijft hangen zingt geregeld, en dat is meer dan eens de manier geweest waarop een vogel werd gevonden. De roep is een scherp, metalig tink, wat lager dan het pink van de vink, en in de vlucht een dun, gerekt tsiet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een forse, langgestaarte gors met een grijze, ongestreepte borst en een roestbruin gestreepte rug met twee smalle witte vleugelstrepen. De kop beslist: een brede lichte middenstreep over de kruin, aan weerszijden een zwarte band, daaronder een lichte wenkbrauwstreep en een zwarte streep door het oog. Vóór het oog, in de teugel, zit een klein maar helder geel vlekje. De keel is zuiver wit en scherp afgezet tegen de grijze borst, alsof er een slabbetje is voorgebonden. De snavel is donker hoorngrijs. De soort komt in twee vormen voor, met witte of met vaalbruine kopstrepen; beide komen bij mannetje en vrouwtje voor, en de vaalbruine vorm wordt hier vaak voor een jonge vogel aangezien. Eerstejaars vogels zijn doffer, maar houden het gele teugelvlekje en de begrensde keel.

Verwarrings­soorten

Witkruingors is de soort die u moet uitsluiten, en het gaat om drie harde kenmerken. Eén: het gele teugelvlekje, dat de witkruingors volledig mist. Twee: de witte keel, bij de witkeelgors scherp begrensd, bij de witkruingors alleen een vaag lichter gebied dat in het grijs overloopt. Drie: de snavel, hier donker hoorngrijs, bij de witkruingors roze tot oranje. Jonge witkruingorzen hebben bovendien roodbruine in plaats van zwarte kruinbanden. Zanggors is over de hele onderkant zwaar gestreept en heeft een donkere borstvlek. Voor een Europese waarnemer geldt bovendien één vuistregel die alle Amerikaanse gorzen van onze eigen gorzen scheidt: de staart is helemaal donker. Ziet u witte buitenste staartpennen, dan kijkt u naar een Emberiza.

Leefgebied

Hier is het een vogel van tuinen en erven: hij scharrelt onder een voedertafel, in een heg, langs een composthoop of in een verwilderd hoekje met struiken, en gaat bij verstoring de dichtste struik in. Op de kusteilanden gaat het om moestuinen, vlier- en tamariskbosjes, brandnetelruigte en de beschutte kant van een muurtje. Steeds is de combinatie dezelfde: kale grond of kort strooisel om in te krabben, en dichte dekking op een meter afstand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In eigen gebied broedt hij in het bos en de bosranden van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en overwintert hij zuidelijker in datzelfde land. Binnen het kaartgebied is hij een dwaalgast, maar van de vier Amerikaanse gorzen in deze gids duidelijk de meest gemelde. De gevallen liggen verspreid over IJsland, Ierland, Groot-Brittannië, de westkust van het vasteland en de Azoren. Opvallend is de verdeling over het jaar: waar de meeste Amerikaanse zangvogels in oktober aankomen, valt bij de witkeelgors ongeveer driekwart van de gevallen in april, mei en juni.

Waar en wanneer kijken

Dit is de dwaalgast die door tuineigenaren wordt gevonden, niet door zoekende vogelaars. Kijk in april en mei kritisch naar elke onbekende vogel onder een voedertafel of in een heg, en let meteen op de teugel: zie geel, dan hebt u hem. Fotografeer kop, snavel en poten, en zoek daarbij naar sleet aan staart- en vleugelpunten of naar een ring, want de beoordelingscommissie wil weten of het om een vogel op eigen kracht gaat. Meld de vogel voordat u hem uit het oog verliest; ze blijven vaak dagen op dezelfde plek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en met een populatie in de tientallen miljoenen een van de talrijkste vogels van het Noord-Amerikaanse bos, al is een langzame afname vastgesteld. Voor Europa gaat het niet om bescherming maar om herkomst. Het voorjaarspatroon wijst erop dat veel van deze vogels de oceaan al in het najaar ervoor zijn overgestoken en de winter aan deze kant hebben doorgebracht, en er zijn vogels aan boord van schepen en op boorplatforms in de Noordzee vastgesteld. Ontsnapping uit gevangenschap speelt bij deze soort nauwelijks: Amerikaanse gorzen worden niet als kooivogel verhandeld.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia albicollis (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla albicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zone 'band' en thrix 'haar', naar de bandvormige tekening op de kruin. albicollis is Latijn, van albus 'wit' en collum 'hals', naar de scherp afgetekende witte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.