Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Witkruingors

Witkruingors | Zonotrichia leucophrys

White-crowned sparrow | Chingolo coroniblanco

Een rechtop zittende, hooggekruinde gors met een zwart-wit gestreepte kop en een roze snavel, in Noord-Amerika een gewone vogel van bermen en struikranden. Hier is hij een van de zeldzaamste dwaalgasten van de gids: Groot-Brittannië telt er vier, en elk daarvan was een gebeurtenis.

Witkruingors (Zonotrichia leucophrys)
Foto: Hunter Trick — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een of twee heldere, ijle fluittonen en loopt daarna uit op een reeks schorre, zoemende trillers; hij klinkt daardoor minder zuiver dan die van de witkeelgors. De roep is een scherp, hoog pink of tsjink en daarnaast een dun sieh. Een dwaalgast hier zwijgt meestal, al zong de vogel op Fair Isle in mei 1977 wel degelijk; reken er in de praktijk niet op en werk op het beeld.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Slank, langgestaart en met een opvallend hoge, vaak spits opgezette kruin, waardoor de kop een puntig profiel krijgt. De volwassen vogel heeft een zuiver zwart-wit gestreepte kruin: een brede witte middenstreep, aan weerszijden een zwarte band, daaronder een witte wenkbrauwstreep en opnieuw een zwarte streep door het oog. Het gezicht, de keel en de borst zijn effen parelgrijs, zonder afgetekende witte keel en zonder geel in de teugel. De snavel is roze tot oranjegeel en valt van ver op. De rug is roestbruin gestreept, met twee smalle witte vleugelstrepen; de staart is lang en helemaal donker. Eerstejaars vogels hebben dezelfde kruintekening, maar in roodbruin en vaalbruin in plaats van zwart en wit — en juist die vogels zijn de valkuil.

Verwarrings­soorten

Witkeelgors is de soort waarmee het misgaat, en zeker bij jonge vogels. Drie kenmerken beslissen. Ten eerste de teugel: de witkeelgors heeft daar een geel vlekje, de witkruingors niets. Ten tweede de keel: bij de witkeelgors zuiver wit en scherp begrensd tegen de grijze borst, hier hooguit iets lichter en vloeiend overlopend. Ten derde de snavel: hier roze of oranje, bij de witkeelgors donker hoorngrijs. Daar komt de vorm bij: de witkruingors zit hoger op de poten, houdt zich rechter en zet de kruin puntig op. Zanggors is zwaar gestreept van onder en heeft een borstvlek. En zoals bij alle Amerikaanse gorzen: geen wit in de buitenste staartpennen, waarmee elke Emberiza afvalt.

Leefgebied

Hier is het een vogel van tuinen, heggen en bermen vlak bij de kust: de Britse gevallen betroffen een tuinheg, een moestuin bij een kroft, een havenkade en de struikrand langs een pad achter de zeewering. Hij foerageert op de grond, in het open, en gaat bij verstoring een paar meter de heg in om daarna weer terug te komen. In eigen gebied is het precies zo'n vogel: struikranden, kapvlaktes, bermen, parkeerterreinen en tuinen, altijd met kale grond ernaast.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In eigen gebied een van de talrijkste gorzen van Noord-Amerika, van Alaska en arctisch Canada tot de bergen van het westen, met een trek naar het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico. Binnen het kaartgebied is hij een uitzondering. Groot-Brittannië heeft vier gevallen: twee in mei 1977, op Fair Isle en bij Hornsea Mere in Yorkshire, één in oktober 1995 in de dokken van Seaforth bij Liverpool en één volwassen vogel bij Cley in noordelijk Norfolk in januari 2008 — meteen het eerste wintergeval voor Groot-Brittannië en Ierland. Elders in het gebied gaat het om enkele losse waarnemingen.

Waar en wanneer kijken

Realistisch gezien vindt u hem niet door te zoeken maar door goed te kijken naar wat er in de tuin of langs het pad zit. Elke onbekende gors met een gestreepte kruin verdient twee vragen: zit er geel in de teugel, en is de keel scherp begrensd? Twee keer nee, met een roze snavel erbij, en het is deze soort. Fotografeer daarna kop, snavel, poten en staart, meld hem onmiddellijk, en kijk of de vogel dicht bij een haven of een dok zit — dat is voor de beoordeling van belang.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Noord-Amerika zeer talrijk, al lopen de aantallen in delen van het westen terug. Voor Europa is de vraag telkens dezelfde: kwam de vogel op eigen kracht? Bij de vogel in de dokken van Seaforth in 1995 werd uitdrukkelijk rekening gehouden met een overtocht per schip, en dat is bij een havenwaarneming altijd een reële mogelijkheid. Ontsnapping uit een volière speelt hier nauwelijks een rol, want de soort wordt niet als kooivogel gehouden.

Wetenschappelijke naam

Zonotrichia leucophrys (Forster, 1772)

Forster beschreef de soort in 1772 als Emberiza leucophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zone 'band' en thrix 'haar', naar de bandvormige tekening op de kruin. leucophrys is Grieks, van leukos 'wit' en ophrus 'wenkbrauw', naar de witte streep boven het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Severn bij de Hudsonbaai.