Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zanggors
Zanggors | Melospiza melodia
Song sparrow | Chingolo cantor
Een bruine streepjesvogel die op van alles lijkt en juist daarom het meeste vraagt van wie hem vindt. In Noord-Amerika is de zanggors een van de gewoonste vogels van natte struwelen en tuinen; hier gaat het om een handvol gevallen, en die vallen bijna allemaal in april en mei.
Geluid
De zang is opgebouwd uit drie of vier heldere, gelijke aanzetnoten gevolgd door een ratelende triller en een rommelig staartje, telkens weer op dezelfde manier: tsjiet-tsjiet-tsjiet, tirrrr-tsjidderdiet. Een dwaalgast die in mei blijft hangen zingt geregeld, en de Britse vogels zijn er meer dan eens mee gevonden. De roep is een laag, hard en nasaal tsjep, en in de vlucht een dun, hoog tsiii.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een middelgrote gors met een lange, aan het eind afgeronde staart die in de lage, wat moeizame vlucht duidelijk op en neer wordt gepompt. De onderdelen zijn romig wit en over borst en flanken zwaar bruinzwart gestreept; op de borst lopen die strepen samen tot één donkere vlek in het midden — het kenmerk waar alles om draait. De kop is grijs met een brede grijze wenkbrauwstreep, een bruine kruinzijde en een brede, donkere baardstreep die een lichte streep boven zich houdt. De bovendelen zijn warm roodbruin met zwarte streping, zonder duidelijke vleugelstrepen. De snavel is kort, kegelvormig en grijzig. Geslachten gelijk; jonge vogels zijn fijner gestreept en missen de borstvlek soms.
Verwarringssoorten
Dit is een vogel die u aan drie harde kenmerken vasthoudt en niet aan tinten. Eén: de donkere borstvlek waar de streping samenloopt. Twee: de staart, lang, afgerond en helemaal donker, zonder een spoor van wit in de buitenste pennen — daarmee vallen zowel elke Emberiza als elke pieper af, want die tonen alle lichte buitenste staartpennen. Drie: de zware, donkere baardstreep naast een lichte streep eronder. Rietgors in vrouwelijk of winterkleed is de eerste gedachte in Europa, maar die heeft wit in de staart, een fijner gestreepte borst zonder centrale vlek en een korter, meer gevorkt staarteind. Piepers hebben bovendien een dun, spits snaveltje in plaats van een kegel. De grauwe gors is groter, egaler en zonder koptekening.
Leefgebied
Hier is het een vogel van vochtige, dichte randen: greppelkanten, moerasstruweel, brandnetel- en irisruigte, verwilderde moestuinen en de rand van een sloot achter een tuin. Hij foerageert laag op de grond onder de dekking, komt kort in het open en verdwijnt weer. Het is dus niet de vogel die u boven op een struik ziet zitten, behalve wanneer hij zingt; dan kiest hij juist wel een uitkijkpost. In eigen gebied is het precies zo: natte struwelen, oevers, tuinen en wegbermen, altijd met water of vocht in de buurt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt over vrijwel heel Noord-Amerika, van Alaska en Canada tot Mexico, in tientallen onderling sterk verschillende vormen; alleen de noordelijke vogels trekken. Binnen het kaartgebied is hij een echte zeldzaamheid. Groot-Brittannië telt ongeveer tien gevallen, en het patroon is bijzonder: op één na vallen ze allemaal tussen 9 april en 18 mei. De eerste was een vogel op Fair Isle van 27 april tot 10 mei 1959; het enige najaarsgeval was er een van 15 tot 17 oktober 1994 bij Seaforth, aan de dokken van Liverpool. Elders in het gebied is de soort nog zeldzamer.
Waar en wanneer kijken
Wie hem wil vinden werkt in de eerste helft van mei een noordelijke eilandpost af — Fair Isle, de Noordelijke Eilanden, de Buiten-Hebriden — en let op elke bruine streepjesvogel die uit een greppel of een irisveld opvliegt en daarbij de staart pompt. Laat hem gaan zitten en zoek dan de borstvlek. Fotografeer altijd de gespreide staart: het ontbreken van wit is het kenmerk dat de commissie in de foto wil terugzien, en het is ook wat de determinatie in het veld sluit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Noord-Amerika een van de talrijkste zangvogels. In Europa gaat het om herkomst en niet om bescherming, en de zanggors is daarbij het scherpste geval van alle Amerikaanse gorzen: een soort die in het najaar zelden of nooit hier opduikt maar wel in het late voorjaar, is moeilijk te verklaren als een vogel die net met een storm is meegekomen. Genoemd worden overwintering aan deze kant van de oceaan na een oversteek in het jaar daarvoor, en meereizen met een schip — het najaarsgeval van 1994 lag niet toevallig in een havengebied. Als kooivogel wordt de soort niet gehouden.
Wetenschappelijke naam
Melospiza melodia (Wilson, 1810)
Wilson beschreef de soort in 1810 als Fringilla melodia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melospiza werd in 1858 ingevoerd door Baird. Melospiza is Grieks, van melos 'zang' en spiza 'vink'. melodia is Latijn, ontleend aan het Griekse melōidia 'gezang', naar de rijke zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia in Pennsylvania.



