Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Grote roodmus

Grote roodmus | Carpodacus rubicilla

Great rosefinch | Camachuelo grande

De grote roodmus is met afstand de grootste roodmus van het kaartgebied en woont er ook op de meest onherbergzame plek: de kale puinhellingen en rotsvelden van de Kaukasus, ver boven de boomgrens. Hij komt alleen in de uiterste oosthoek van het gebied voor, en wie hem wil zien moet een hoge pas op.

Grote roodmus (Carpodacus rubicilla)
Foto: Birds of Gilgit-Baltistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, laag en helder fluitend tjoe-iet of djoe, dat ver draagt tussen de rotsen en meestal het eerste is wat je van de vogel merkt. De zang is een trage reeks diepe, melancholieke fluittonen met korte pauzes ertussen, veel langzamer en zwaarder dan het rappe zinnetje van de roodmus, gebracht vanaf een rotsblok of een lage struik.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een zware, langgerekte vink, veel groter dan de roodmus en eerder van het formaat van een appelvink, met een dikke grijze snavel en een lange staart. Het oude mannetje is dieproze tot karmijn op kop, borst en buik, met een fijne witzilveren spikkeling over voorhoofd, wangen en borst die er van dichtbij uitziet alsof er rijp op ligt; rug en vleugels zijn grijsbruin. Het vrouwtje en de jonge vogels zijn effen grijsbruin met een fijne, vage streping en, net als bij de roodmus, een vlak en tekeningloos gezicht met een groot donker oog.

Verwarrings­soorten

In de Kaukasus is de roodmus de enige echte verwarringssoort, en het verschil is er een van formaat en bouw: de grote roodmus is een kwart langer, forser gekopt, langer van staart en heeft een zwaardere snavel. Het rood van het oude mannetje is bovendien anders — zilverig gespikkeld in plaats van egaal karmijn. Vrouwtjes zijn lastiger, maar de grote roodmus blijft groot, langstaartig en zwaar van snavel, en zit vrijwel altijd hoger, in kaal rotsterrein waar de roodmus juist niet komt.

Leefgebied

Kaal hooggebergte tussen ongeveer 2000 en 4000 meter: puinhellingen, rotswanden, blokvelden en de schrale grasvlekken en dwergstruiken daartussen, vaak bij sneeuwvelden en smeltwaterstroompjes. In de winter zakt hij naar de bovenste dalen en zoekt hij bessenstruweel op, vooral duindoorn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartgebied alleen in de Kaukasus, op de uiterste oostrand van het venster: de hoge ketens van Noord-Ossetië, Kabardië, Georgië en Armenië. Daarbuiten strekt het areaal zich uit over de bergen van Centraal-Azië, van de Pamir tot de Himalaya. Het is een standvogel die alleen verticaal trekt: hoog in de zomer, lager in de winter.

  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in juni en juli boven de tweeduizend meter, op de brede puinhellingen rond een pas of onder een gletsjertong. Loop rustig en luister naar het lage fluitje; de vogels zitten graag op een uitstekend rotsblok en laten zich, ver van mensen als ze leven, vaak dichtbij komen. In oktober en november is de winterstand in de duindoornstruwelen van de bergdalen een makkelijker alternatief.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort is nergens talrijk maar leeft in terrein waar nauwelijks iets verandert; de Kaukasische bevolking geldt als stabiel. Toenemende beweiding van de hoge weiden en de aanleg van skigebieden zijn de enige plaatselijke risico's.

Wetenschappelijke naam

Carpodacus rubicilla (Güldenstädt, 1775)

Güldenstädt beschreef de soort in 1775 als Loxia rubicilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Carpodacus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Carpodacus is Grieks, van karpos 'vrucht' en dakno 'bijten'. rubicilla bevat het Latijnse rubeus 'rood'; hoe het tweede deel van het woord gevormd is, valt niet met zekerheid vast te stellen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaukasus.