Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Haakbek

Haakbek | Pinicola enucleator

Pine grosbeak | Camachuelo picogrueso

De haakbek is de grootste vink van Europa, een vogel ter grootte van een grote lijster: log, langgestaart en traag van beweging, met een korte dikke snavel waarvan de bovenkaak in een klein haakje eindigt. Hij hoort thuis in de noordelijke naaldbossen van Fennoscandië en Rusland en is daar zo weinig schuw dat hij zich tot op een paar meter laat naderen.

Haakbek (Pinicola enucleator)
Foto: Jyrki Salmi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is zacht en fluitend en past bij het rustige karakter van de vogel: een helder, meestal drielettergrepig tjuu-tjuu-tjuu of pui-lie-lie, dat verrassend ver draagt en waarvan de zuivere fluittoon aan een verre koperwiek doet denken. Uit foeragerende groepen klinkt daarnaast een zacht, nasaal tjut. De zang is een korte, aarzelende maar zeer welluidende reeks van fluittonen en jodelende halen, meestal vanaf een boomtop in mei en juni. In invasiewinters buiten het broedgebied hoor je bijna altijd alleen de fluitende roep, en die is dan de beste manier om een groep in de lijsterbessen te vinden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Fors en langgestaart, met een ronde kop, een korte gehaakte snavel en twee witte vleugelstrepen op een donkergrijze vleugel. Het mannetje is over kop, borst en rug rozerood tot karmijn, met grijze buik en grijze flanken; vrouwtjes en jonge vogels zijn grijs met een olijfgele of oranjegele kop en stuit. De houding is opvallend rustig en rechtop en de vlucht is traag en diep golvend, met een lange staart achteraan.

Verwarrings­soorten

Op formaat en houding is er weinig verwarring, maar wie de vogel te klein inschat komt bij de goudvink uit. De goudvink is veel kleiner, heeft een zwarte pet en een brede witte stuit; de haakbek heeft geen zwart op de kop en een donkere stuit. Vrouwtjes en jonge haakbekken lijken op grote, geelkoppige vrouwtjesgoudvinken, maar zijn ruim een derde groter, veel langer van staart en hebben twee duidelijke witte vleugelstrepen. Kruisbekken zijn kleiner, korter van staart en hebben gekruiste snavelpunten.

Leefgebied

Oude, open naaldbossen van spar en den in de noordelijke taiga, vaak met een ondergroei van berk en jeneverbes, en verder de berkengordel en het dwergstruweel aan de bovengrens van het bos. In de winter is het een vogel van bessendragende struiken en bomen: lijsterbes vooral, en daarnaast appel, meidoorn en sierbessen in dorpstuinen en langs wegen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt in Noorwegen, Zweden, Finland en door heel Noord-Rusland. In winters waarin de lijsterbessenoogst in het noorden mislukt, trekken groepen naar het zuiden en bereiken dan Zuid-Scandinavië, de Baltische staten en Polen. Verder naar het westen — Nederland, België, Groot-Brittannië — is de soort een grote zeldzaamheid met slechts een handvol gevallen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In het noorden zoek je in november en december eenvoudig de lijsterbessen op, langs een weg of aan de rand van een dorp; de groepen zitten er dagenlang en laten zich tot op vijf meter naderen. Luister naar het zachte fluitende tjuu-tjuu, dat door de bomen heen draagt terwijl de vogels zelf onzichtbaar blijven. Blijf rustig staan en wacht: te veel beweging verjaagt ze eerder dan te weinig afstand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De soort is over de hele noordelijke taiga verspreid en talrijk, al schommelen de aantallen sterk met de bessen- en zaadoogst. Het kappen van oud naaldbos in Fennoscandië is de belangrijkste zorg; verder is er geen aanwijzing voor een afname.

Wetenschappelijke naam

Pinicola enucleator (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia enucleator; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pinicola werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Pinicola is Latijn, van pinus 'den' en colere 'bewonen': bewoner van de naaldbossen. enucleator is Latijn voor 'ontpitter', van enucleare 'de pit uithalen', naar de manier waarop de vogel zaden uit vruchten en kegels pelt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.