Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Indigogors
Indigogors | Passerina cyanea
Indigo bunting | Azulillo índigo
In de boeken is dit de vogel die van kop tot staart diep indigoblauw is. In het veld hier is hij dat vrijwel nooit: de vogels die de oceaan overkomen zijn vrouwtjes, eerstejaars vogels en mannetjes in winterkleed, en die zijn warm melkchocoladebruin. Wie op blauw wacht, kijkt er overheen.
Geluid
De zang is een heldere, onhaastige reeks van tonen die twee aan twee worden gebracht, telkens een paar en dan een ander paar op een andere hoogte: swiet-swiet, tsjeuw-tsjeuw, siet-siet. Hij duurt twee tot vier seconden en wordt hoog en open gezongen, van een draad of een boomtop. De roep is een droog, scherp spit, in de vlucht gevolgd door een zoemend bziep. Een dwaalgast in het najaar zwijgt in de regel, dus reken hier niet op.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, gedrongen vogel met een korte, licht gevorkte staart en een zware kegelsnavel waarvan de bovensnavel donker is en de ondersnavel bleek grijsblauw. Het bruine kleed, waarin u hem hier ziet, is warm en egaal van boven en iets lichter van onder, met een vage, verwaterde streping op de borst en een lichte keel; twee flauwe okerkleurige vleugelstrepen. Het bruikbare kenmerk is een koele blauwgrijze waas op de stuit, de staart en de vleugelranden, die bij goed licht altijd ergens doorschemert; bij eerstejaars mannetjes zitten er bovendien vaak losse blauwe veren verspreid door het kleed. Het broedkleed van het mannetje is over het hele lichaam diep blauw met een zwarte teugel en zwarte vleugelpennen. Dat blauw zit niet in een kleurstof maar in de bouw van de veer, die blauw licht terugkaatst: dezelfde vogel is in de schaduw of tegen het licht gewoon donkerbruin.
Verwarringssoorten
In bruin kleed is dit een van de lastigste dwaalgasten die er zijn, en het draait om drie harde kenmerken. Eén: de zware kegelsnavel met een gebogen bovenrand en een opvallend bleke ondersnavel. Twee: de korte, gevorkte staart zonder een spoor van wit — dat sluit vink, keep en kneu uit, die alle wit in vleugel of staart tonen. Drie: de blauwgrijze zweem op stuit en staartranden. Een vrouwtjeskneu heeft witte vleugelvlekken en witte staartranden; een vrouwtjesvink twee brede witte vleugelstrepen en witte buitenste staartpennen; een vrouwtjeshuismus is grijzer, gestreept op de rug en met een vlak gezicht. Ziet u wit in vleugel of staart, dan is het geen indigogors.
Leefgebied
Hier gaat het om ruigte langs de kust: verwilderde akkerranden, distel- en brandnetelvelden, adelaarsvarenhellingen op een eiland, heggen langs een pad en de rand van een moestuin. Hij foerageert laag in de zaaddragende kruiden en op de kale grond eronder, en vliegt bij verstoring de dichtste struik in. In eigen gebied is het net zo'n vogel van randen: bosranden, kapvlaktes, spoorbermen, bermsloten en verruigde weiden, altijd met een hoge zangpost binnen bereik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten en midden van de Verenigde Staten en het uiterste zuiden van Canada, en overwintert in Midden-Amerika en op de Antillen; die trek gaat deels over de Golf van Mexico, en juist zulke vogels raken bij aanhoudende westenwind uit koers. Binnen het kaartgebied is hij een uitgesproken zeldzaamheid, met het najaar als aankomsttijd en de westelijke eilanden en kusten als vindplaats. Groot-Brittannië heeft er maar een paar aanvaard; de eerste was een eerstejaars mannetje op Ramsey Island in Pembrokeshire in oktober 1996, terwijl een vogel bij Holkham in Norfolk uit 1988 niet aanvaardbaar werd bevonden. Ierland telt er één, op Cape Clear in county Cork in 1985. Op de Azoren duikt de soort vaker op dan op het vasteland.
Waar en wanneer kijken
De eerste helft van oktober, een paar dagen na een lagedrukgebied dat snel van Newfoundland naar Ierland is doorgelopen, op een westelijke eilandpost of een kustreservaat. Werk de zaadruigte af en let op een klein, kortgestaart bruin vogeltje met een zware snavel dat uit het onkruid opvliegt. Fotografeer meteen de gespreide staart en de stuit — daar zit het blauwgrijs — en fotografeer ook de poten en de vleugelpunten. Bij deze soort wordt daar met opzet naar gekeken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een grote en tot voor kort toenemende populatie die van kapvlaktes en verruigde randen profiteert. Voor Europa staat een andere vraag voorop, en die weegt bij deze soort zwaarder dan bij de Amerikaanse gorzen: de indigogors wordt in Europa als volièrevogel gehouden, zodat naast de gewone twijfel over meereizen met een schip ook ontsnapping een reële mogelijkheid is. Beoordelingscommissies kijken daarom naar sleet aan staart- en vleugelpunten, naar ontbrekende slagpennen, naar een ring en naar tam gedrag; een gaaf gekleurde vogel in oktober op een westelijk eiland, na een reeks Atlantische depressies, is het sterkste dossier.
Wetenschappelijke naam
Passerina cyanea (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tanagra cyanea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina is afgeleid van het Latijnse passer 'mus', gebruikt voor kleine mussenachtige zangvogels. cyanea is Latijn voor 'blauw', naar het diepblauwe broedkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.



