Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Mirtezanger
Mirtezanger | Setophaga coronata
Yellow-rumped warbler | Reinita coronada
Een kleine, druk foeragerende Amerikaanse zanger die zich van al zijn verwanten het minst aan het seizoen stoort. Hij verteert de wasachtige besjes van de wasgagel, waar de meeste insecteneters niets mee kunnen, en overwintert daardoor veel noordelijker dan de rest van de familie — en blijft hier soms weken hangen waar een andere Amerikaanse zanger na drie dagen verdwenen is. In elk kleed, van het felste voorjaarsmannetje tot de bleekste eerstejaars in november, is er één plek waar geel zit: de stuit.
Geluid
De zang is een losse, rammelende triller van gelijke, wat vlakke tonen die aan het eind omhoog of omlaag stapt, minder scherp dan een triller van een gors en zonder de metaalklank ervan; hij zingt hier niet. Waar het om gaat is de roep, want die is hard en karakteristiek: een vlakke, droge tsjek, kort en zonder buiging, die uit een bramenstruik komt en makkelijk over vijftig meter draagt. In de vlucht een helder, wat oplopend tsiet. Deze soort is, anders dan de meeste Amerikaanse dwaalgasten, geregeld te horen, en meer dan één vogel is op die tsjek gevonden.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Begin bij de stuit. Een klein, helder citroengeel vlak tussen rug en staart, dat bij het opvliegen oplicht en dat deze vogel het hele jaar draagt; geen andere kleine zangvogel binnen het kaartgebied heeft dat. De najaarsvogel is verder onopvallend: grijsbruin en donker gestreept op de bovendelen, vuilwit tot roomkleurig op de onderdelen met een fijne, donkere streping over borst en flanken, twee smalle witte vleugelstrepen en witte punten aan de buitenste staartpennen. De keel is wit en het witte loopt in een smalle punt achter de oorstreek omhoog. Rond het oog staan boven en onder korte witte streepjes — een gebroken oogring, geen wenkbrauwstreep. Aan weerszijden van de borst zit meestal nog een geel vlekje, dat bij een bleke vogel tot een paar gele veertjes kan slinken, en volwassen vogels houden een klein geel kruinvlekje dat pas zichtbaar wordt als de vogel de kruin opzet. Het voorjaarsmannetje is een andere vogel: blauwgrijs, zwart gestreept, met een zwart masker en een zwarte borstband, en met geel op kruin, borstzijden en stuit tegelijk. De snavel is kort en fijn, de poten donker. In het westen van Noord-Amerika leeft een vorm met een gele in plaats van een witte keel, die tegenwoordig vaak als aparte soort wordt behandeld; die is aan deze kant nog niet vastgesteld, dus kijk bij een gele keel twee keer.
Verwarringssoorten
Binnen het kaartgebied is er geen kleine zangvogel die geel op de stuit combineert met een witte keel, een gebroken witte oogring en twee vleugelstrepen; wie dat samen ziet, is er. De valkuil zit in het omgekeerde geval: een bleke, gestreepte najaarsvogel die snel wegduikt wordt licht voor een jonge grasmus of een pieper aangezien, en dan is de gele stuit het enige wat u nog kunt terughalen — kijk dus altijd naar het wegvliegen. Twee Amerikaanse zangers dragen ook geel op de stuit. De magnoliazanger heeft daarbij een fel gele onderkant en een brede witte band dwars over de zwarte staart. De tijgerzanger is fijner en dichter gestreept, heeft een kortere, iets gebogen snavel en een gele vlek in de halszijde, en mist het witte in de keel. Beide zijn hier veel zeldzamer dan de mirtezanger.
Leefgebied
Hier is het een vogel van de kust: duindoornstruweel en vlierbosjes in een duinvallei, wilgenstruweel in een natte laagte, brandnetel- en bramenruigte langs een dijkje, en verder gewoon de tuinen en heggen van een eilanddorp. Hij foerageert onrustig, springt van tak naar tak, hangt onder een blad en maakt korte vluchtjes achter een insect aan, laag en zonder schuwheid. Bij koud weer schakelt hij over op bessen en klimopvruchten, en dat verklaart waarom hij hier kan blijven. In eigen gebied broedt hij in naald- en gemengd bos van de boreale zone en de bergen, en overwintert hij tot ver in het noorden van de Verenigde Staten, waar hij in de kustduinen op wasgagel leeft.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska door Canada tot Newfoundland en het noordoosten van de Verenigde Staten, en overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten tot in Midden-Amerika, met een deel van de vogels opvallend ver naar het noorden. Binnen het kaartgebied is hij een dwaalgast. Groot-Brittannië en Ierland komen samen op een veertigtal gevallen, verreweg de meeste in oktober en november en met een zwaartepunt op de Scilly-eilanden, in Cornwall en in het zuidwesten van Ierland; verschillende vogels bleven weken op dezelfde plek. Nederland heeft twee gevallen, beide in oktober en beide op een Waddeneiland: Vlieland, 13 tot 15 oktober 1996, en Schiermonnikoog, 12 tot 22 oktober 2019. Op Corvo en Flores, in het westen van de Azoren en net buiten de rand van deze kaart, is hij in het najaar een van de gewoonste Amerikaanse zangers, en ook IJsland heeft gevallen.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de tweede helft van oktober in het duinstruweel en de dorpstuinen van een eiland of een kustkop, twee tot vier dagen na een snelle depressie over de oceaan. Loop langzaam en luister naar de vlakke tsjek: die is het halve werk. Ziet u een bleke gestreepte vogel wegduiken, blijf dan staan en wacht op het volgende vluchtje, want de gele stuit lost de zaak in een halve seconde op. Fotografeer stuit, keel, oogstreepjes en de zijkant van de borst; die vier samen zijn genoeg voor een beoordelingscommissie. En houd er rekening mee dat deze soort blijft: meld hem dezelfde dag, dan kunnen anderen er nog heen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en met een populatie van meer dan honderd miljoen een van de talrijkste zangvogels van Noord-Amerika; de aantallen zijn stabiel tot licht toenemend, wat binnen deze familie ongebruikelijk is. Voor het gebied van deze gids gaat het niet om bescherming maar om herkomst, en die vraag is hier eenvoudig te beantwoorden: Amerikaanse zangers worden niet als kooivogel gehouden, en de gevallen vallen bijna zonder uitzondering in het smalle tijdvak na een snelle westerstorm. Vogels die een deel van de oceaan aan boord van een schip hebben meegevaren zijn beschreven en worden bij een afwijkende datum meegewogen, maar de gewone verklaring is een vogel die de oversteek zelf heeft gemaakt.
Wetenschappelijke naam
Setophaga coronata (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla coronata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. coronata is Latijn voor 'gekroond', naar de gele kruinvlek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia in Pennsylvania.



