Alle soortenZangvogelsAmerikaanse zangers › Zwartkopzanger

Zwartkopzanger | Setophaga striata

Blackpoll warbler | Reinita estriada

De Amerikaanse zanger die u aan deze kant van de oceaan het eerst zult zien, en dat is geen toeval. In het najaar trekt hij van de kust van Nova Scotia en New England in één ruk over zee naar de Caribische eilanden en Zuid-Amerika: ruim tweeduizend kilometer open water, twee tot drie etmalen zonder rust. Een vogel van twaalf gram vreet zich daarvoor op tot bijna het dubbele. Raakt zo'n vogel boven zee in een westenwind, dan is de weg terug korter dan de weg vooruit, en komt hij hier aan. Vrijwel altijd in oktober, en vrijwel altijd als een bleke eerstejaars.

Zwartkopzanger (Setophaga striata)
Foto: Thomas Galewski — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van acht tot twintig identieke, ijle tsit-noten op één toonhoogte, eerst zachter en dan luider en weer wegstervend, en met ongeveer negen kilohertz een van de hoogste vogelgeluiden die er zijn; wie de goudhaantjes niet meer hoort, hoort deze zang ook niet. In het najaar zingt hij niet. De roep is een korte, scherpe, wat metalige tsjip, en in de vlucht een dun, oplopend ziet. Dwaalgasten zijn opmerkelijk stil: ze zijn uitgeput, foerageren onafgebroken en laten zich meestal zien voordat u ze hoort.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Vergeet het plaatje uit de boeken: de zwarte kruin met witte wang en zwarte baardstreep hoort bij het mannetje in het voorjaar, en dat kleed krijgt u hier zo goed als nooit te zien. De vogel die hier zit is olijfgroen tot grijsgroen op de bovendelen, met fijne donkere streepjes over rug en kruin, en twee heldere witte vleugelstrepen. De onderdelen zijn vuilwit met een gele waas over borst en flanken, en daarop staat het kenmerk waar het om draait: een vage, smalle donkere streping langs de zijkant van de borst en over de flanken, soms niet meer dan een paar potloodstreepjes. De onderstaartdekveren zijn zuiver wit en opvallend lang. Het tweede kenmerk zit onderaan: de poten zijn bleek, strogeel tot rozig, en de voetzolen vaak fel oranjegeel — bij vrijwel alle andere Amerikaanse zangers zijn de poten donker. Verder een korte, dunne, spitse snavel, een vage lichte wenkbrauwstreep en een lange vleugelpunt, die de staart kort doet lijken.

Verwarrings­soorten

Op het eerste gezicht denkt een Europese waarnemer aan een boszanger: hetzelfde formaat, dezelfde groenige kleur, hetzelfde gedrag hoog in het blad. Twee dingen sluiten dat uit: de twee scherpe witte vleugelstrepen en de fijne streping over rug en flanken, die geen enkele Phylloscopus zo heeft. Binnen de Amerikaanse zangers zijn er twee lastige. De eerste heeft in het najaar hetzelfde groene kleed met vleugelstrepen, maar mist elke streping op de flanken, heeft een warme okerkleurige waas over borst en flanken, okerkleurige in plaats van witte onderstaartdekveren, en donkere poten; dat is de kanelzanger, waarvan aan deze kant maar een handvol gevallen bekend is. De tweede is de dennenzanger, met een ongestreepte rug, een langere staart en eveneens donkere poten. Kortom: witte onderstaartdekveren, streepjes op de flanken en bleke poten samen wijzen op deze soort. Let er wel op dat de pootkleur in tegenlicht donker kan lijken; kijk naar de voetzolen als de vogel op een tak zit.

Leefgebied

Hier gaat het om de dekking die vlak achter de branding staat: een tuinheg, een klimopbegroeide muur, een groepje esdoorns bij een boerderij, tamarisk of een dichte bramenwal in een kustdorp. De vogel foerageert traag en laag tot halfhoog, pikt langs takken en bladstelen en laat zich op een halve meter benaderen, wat bij zo'n zeldzaamheid vaak verbazing wekt maar niets anders is dan honger. In het broedgebied zit hij in laag, dicht naaldbos aan de rand van de boomgrens en in sparrenopslag, en in de winter in het bladerdek van bos in het noorden van Zuid-Amerika.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Alaska door heel boreaal Canada tot Newfoundland en New England, en overwintert in het Amazonegebied en het noorden van Zuid-Amerika. Binnen het kaartgebied is hij een dwaalgast, maar wel de meest gemelde Amerikaanse zanger van deze kant. Groot-Brittannië en Ierland hebben er samen ruim zestig, met de Scilly-eilanden veruit voorop, gevolgd door Cornwall en het zuidwesten van Ierland; het gaat gemiddeld om een of twee vogels per jaar en bijna alle in oktober. Nederland heeft één geval: Texel, 25 tot 27 oktober 2020. De grootste aantallen liggen echter buiten de rand van deze kaart, op Corvo en Flores in het westen van de Azoren, waar hij in oktober vrijwel jaarlijks wordt gezien en waar in een goed najaar meerdere vogels tegelijk zitten. Ook IJsland heeft gevallen.

Waar en wanneer kijken

Loop in oktober, twee tot vier dagen nadat een diepe depressie snel van Newfoundland naar Ierland is gelopen, de tuinen en heggen van een kustdorp op de Scilly-eilanden, in Cornwall of in West-Cork af. Zoek laag en langzaam, en behandel elke groenige, boszangerachtige vogel als verdacht tot u de vleugelstrepen hebt gezien. Kijk daarna in deze volgorde: onderstaartdekveren (wit of okerkleurig), flanken (streepjes of niet), poten (bleek of donker). Fotografeer vooral de poot en de onderstaart, want dat is precies wat de beoordelingscommissie wil zien. Wie de soort met zekerheid wil meemaken, boekt de eerste helft van oktober op Corvo.

Staat van instandhouding

Sinds kort niet meer als veilig geboekstaafd: de Rode Lijst heeft de soort op Bijna Bedreigd gezet (IUCN: Near Threatened). De populatie loopt nog altijd in de tientallen miljoenen, maar de tellingen laten sinds de jaren zeventig een afname van vele tientallen procenten zien, waarschijnlijk samenhangend met houtkap en verdroging in het boreale bos, met het verdwijnen van het bos in het Amazonegebied waar hij overwintert, en met verliezen op de lange zeetocht. Voor het gebied van deze gids is hij een dwaalgast en niets anders. De herkomstvraag speelt hier nauwelijks: Amerikaanse zangers worden niet als kooivogel verhandeld, en de aankomst valt zo strak samen met snelle depressies over de Atlantische Oceaan dat een vogel op eigen kracht de gewone verklaring is. Wel varen er af en toe uitgeputte vogels een deel van de afstand mee op een schip, en dat wordt bij een geval buiten het gewone tijdvenster meegewogen.

Wetenschappelijke naam

Setophaga striata (Forster, 1772)

Forster beschreef de soort in 1772 als Muscicapa striata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. striata is Latijn voor 'gestreept', naar het streepjespatroon van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Severn aan de Hudsonbaai.